Spring naar inhoud

Financieel beleid

2. Financieel beleid

Het pensioenfonds is een ‘eigen beheer’ fonds. In dit hoofdstuk volgt een opsomming van:

  • Premiebeleid (2.1);
  • Beleggingsbeleid (2.2);
  • Ontwikkelingen dekkingsgraad (2.3);
  • Toeslagenbeleid (2.4);
  • Kortingenbeleid (2.5);
  • Uitvoeringskosten (2.6).

2.1 Premiebeleid

Premiebeleid
De financiering van de op basis van het pensioenreglement vast te stellen pensioenaanspraken gebeurt door betaling van een doorsneepremie. Voor de periode vanaf 1 januari 2020 tot en met 31 december 2024 is dit percentage door cao-partijen vastgesteld op 21,8%.

Het fonds beoordeelt of en in hoeverre de door cao-partijen overeengekomen premie en door werkgevers verschuldigde premie toereikend is voor de inkoop van de reglementaire aanspraken op pensioen en dekking van de benodigde opslagen. Indien in enig jaar de kostendekkende premie hoger blijkt te zijn dan de premie op basis van het overeengekomen premiepercentage, wordt de inkoop van aanspraken op pensioen zodanig naar beneden bijgesteld dat de door het fonds te ontvangen premie gelijk is aan de kostendekkende premie die het fonds hanteert. Indien de kostendekkende premie lager blijkt te zijn dan de premie op basis van het overeengekomen premiepercentage, wordt de inkoop van aanspraken op pensioen zodanig naar boven bijgesteld dat de door het fonds te ontvangen premie gelijk is aan de kostendekkende premie die het fonds hanteert. Indien een situatie als beschreven aan de orde is, treden partijen en het fonds tijdig met elkaar in overleg over het vraagstuk van evenwichtige belangenafweging.

Premiecomponenten
De premie wordt vastgesteld op basis van de onderstaande uitgangspunten:

  • De samenstelling van het deelnemersbestand;
  • De regeling;
  • De verwachte inflatie;
  • Het verwacht rendement.

Overlevingsgrondslagen
Deze grondslagen zijn in 2024 gewijzigd. Het bestuur heeft in 2024 besloten over te gaan op de Prognosetafel AG2024. De ervaringssterftecorrectie wordt tweejaarlijks beoordeeld gelijktijdig met de nieuwe publicatie van de AG prognosetafels, waarbij het bestuur een besluit neemt om wel of geen aanpassing te doen. De ervaringssterfte is laatstelijk geactualiseerd per oktober 2022 en zal in 2025 opnieuw worden geactualiseerd.

De verwachte inflatie
De lange termijn verwachte prijsinflatie is 2,0%. Het fonds maakt gebruik van de mogelijkheid om het ingroeipad zoals van toepassing op 30 september 2023 voor vijf jaren vast te zetten. Het ingroeipad is in de navolgende tabel opgenomen:

   
Jaar Inflatie
2023 3,90%
2024 3,80%
2025 2,60%
2026 2,50%
2027 2,40%
2028 2,10%
2029 2,20%
2030 2,20%
2031 2,20%

Als de hiermee berekende opslag voor indexatie hoger is dan de opslag voor het vereist eigen vermogen, dan komt de opslag voor indexatie in plaats van de opslag voor het vereist eigen vermogen. Hier is dus de hoogste van de twee opslagen leidend.

Het verwacht rendement en te hanteren peildatum
Het bestuur heeft op 7 december 2023 het verwacht rendement voor vastrentende waarden vastgesteld voor een periode van vijf jaar met als peilmoment 30 september 2023. 

Advies verantwoordingsorgaan
Het bestuur heeft voorafgaand aan de besluitvorming het verantwoordingsorgaan om advies gevraagd over de feitelijke premie en de premiecomponenten voor 2024. Het verantwoordingsorgaan heeft een positief advies gegeven. De sleutelfunctiehouder actuarieel gaf een positieve opinie op de premiestelling 2024.

2.2 Beleggingsbeleid

Om de beoogde pensioenuitkeringen op korte en lange termijn te realiseren, belegt het bestuur op een verantwoorde en solide wijze. Het pensioenfonds hanteert hiervoor een meerjarig strategisch beleggingsplan dat jaarlijks wordt vertaald in een jaarplan beleggingen. Een ALM-studie in combinatie met scenario-analyses ligt ten grondslag aan het strategisch beleggingsbeleid van het pensioenfonds.

Met behulp van beleggingsovertuigingen (bijlage 3 van dit jaarverslag) formuleert het pensioenfonds onder andere een kader hoe het omgaat met financiële markten en beleggingen. Goed opgestelde overtuigingen vormen een visie op de werking van financiële markten en de manier waarop het pensioenfonds hierin acteert om de doelstellingen te behalen. De overtuigingen geven daarmee een kader voor het bestuur om nieuwe beleggingsmogelijkheden te beoordelen, zijn een ijkpunt voor het bestuur en maken een duidelijkere verantwoording naar de deelnemers, toezichthouder en andere stakeholders mogelijk. De beleggingsovertuigingen zijn opgenomen in het strategisch beleggingsplan 2022-2025.

Het beleggingsbeleid van het pensioenfonds heeft betrekking op twee portefeuilles, een matchingportefeuille en een returnportefeuille. 

  • Het primaire doel van de matchingportefeuille is het nakomen van een deel van de nominale pensioentoezeggingen middels staatsobligaties, renteswaps en liquide middelen;
  • De returnportefeuille of rendementsportefeuille heeft primair tot doel het realiseren van een overrendement ten opzichte van de verplichtingen ter financiering van het toeslagenbeleid. Dit gebeurt middels aandelen, bedrijfsobligaties, asset-backed securities (hierna: ABS) en hypotheken.

In 2024 heeft het bestuur de beleggingsovertuigingen en het MVB-beleid geëvalueerd. Hierbij is besloten om onder andere het thema ‘klimaat’ met een CO2-reductiepad, ESG-integratie in het beleggingsproces en additionele ESG-criteria voor manager selectie op te nemen. Ook is besloten om de pensioenregeling als een artikel 8 product volgens de SFDR te gaan classificeren, waarbij het pensioenfonds momenteel in het proces zit om aan alle vereisten voor een classificatie van artikel 8 classificatie te voldoen. Verder heeft het bestuur de investment case van aandelen geëvalueerd en vastgesteld.

Het bestuur heeft in 2024 diverse besluiten genomen over het beleggingsbeleid voor de pensioenregeling in het nieuwe pensioenstelsel; de solidaire premieregeling. De besluitvorming heeft betrekking op het nieuwe strategisch beleggingsbeleid, het voorsorteren op en de transitie van de beleggingsportefeuille, het operationeel model en de kostentoerekening behandeld. Daarnaast is het pensioenfonds gestart met een oriëntatie op categorieën die het risico-rendementsprofiel van de returnportefeuille kunnen verbeteren. Als gevolg hiervan is het bestuur gestart met het opstellen van een investment case high-yield en ABS met een hoger risicoprofiel.

2.2.1 Overzicht beleggingen

Het pensioenfonds belegt eind 2024 strategisch 28,5% van het vermogen in een wereldwijd gespreide portefeuille van aandelen, 20% van het vermogen in Nederlandse woninghypotheken, 7% in Europese bedrijfsobligaties en 7% in asset-backed securities (ABS). De overige 37,5% wordt belegd in de matchingportefeuille, die tot doel heeft om het renterisico van de verplichtingen gedeeltelijk af te dekken.

Beleggingscategorie Strategische weging eind 2024 Feitelijke weging eind 2024
Matchingportefeuille    
Vastrentende waarden (staatsobligaties, renteswaps en kasgeld) 37,5% 39,6%
     
Returnportefeuille 62,5% 60,4%
Aandelen 28,5% 27,0%
Ontwikkelde markten 22,2% 21,4%
Opkomende markten 2,3% 2,0%
Small Cap EAFE 2,0% 1,8%
Small Cap US 2,0% 1,9%
Bedrijfsobligaties 7,0% 6,0%
Asset-backed securities 7,0% 6,0%
Hypotheken 20,0% 21,4%
     
Totaal 100,0% 100,0%
     
Rente-afdekking (marktrente) 76% 76,5%
     
Valuta-afdekking USD 75% 73%

De feitelijke assetallocatie kan binnen de onderstaande bandbreedtes afwijken van de strategische allocatie. Het allocatiebeleid van het pensioenfonds is passief, de bandbreedtes zijn niet bedoeld om invulling te geven aan actief allocatiebeleid. In 2024 heeft het bestuur besloten echter besloten om binnen de bandbreedtes voor te sorteren op het risicoprofiel van de nieuwe solidaire premieregeling. Dit geeft er toe geleid dat de normportefeuille voor aandelen naar het bovenkant van de bandbreedte is geherbalanceerd, terwijl de allocatie naar hypotheken is afgebouwd naar de onderkant van de bandbreedte. Maandelijks wordt de feitelijke allocatie gemonitord en bijgestuurd via de premie-inkomsten. Per kwartaal worden eventuele passieve overschrijdingen geherbalanceerd.

Categorie Strategische mix Minimum Maximum
Matchingportefeuille 37,5% 27,5% 47,5%
Aandelen 28,5% 18,5% 38,5%
Bedrijfsobligaties 7% 4% 10%
Asset-backed securities 7% 4% 10%
Hypotheken 20% 15% 25%

2.2.2 Beheersing renterisico

Het pensioenfonds hanteert dynamiek in de renteafdekking. Bij een lage rente geldt een lagere renteafdekking en bij een hoge rente wordt een hogere renteafdekking toegepast. De opbouw in de renteafdekking bij een stijgende rente komt tegemoet aan de doelstelling van het pensioenfonds om de nominale rechten te beschermen. 

Tegelijkertijd kan bij een lage rente de rente een bron van rendement zijn. De dekkingsgraad profiteert dan van een eventuele rentestijging. De dynamische renteafdekking van het pensioenfonds is bij een fluctuerende rente een bron van rendement, omdat de strategie zo is ontworpen dat wordt geprofiteerd bij volatiele rentes. Het renteniveau bij opbouw van de renteafdekking is hoger dan het renteniveau bij afbouw.

Het pensioenfonds hanteert het volgende dynamische beleid ten aanzien van het renterisico. 

30-jaars rente 0,5% 1,0% 1,5% 2,0% 2,5%
Rente-afdekking 44% 52% 60% 68% 76%

De rentestaffel is afgetopt bij 76% afdekking bij een renteniveau voor de 30-jaars rente van 2,5%.

Per 31 december 2024 bevindt de 30-jaars rente zich boven de 2,1%. De huidige strategische renteafdekking bedraagt 76%. Indien de rente daalt onder de grens (trigger) van 2,0% wordt de strategische renteafdekking aangepast. Ook de triggers worden op dat moment aangepast naar de omliggende niveaus. Ter illustratie: na het raken van de trigger op 2,0% liggen de nieuwe triggers op 1,5% en 2,5%. In 2024 is besloten om geen verlagingen van de renteafdekking (voor zover aan de orde) door te voeren tot het moment van invaren in de nieuwe solidaire premieregeling per (de beoogde datum) 1 januari 2026. In de praktijk betekent dit dat er tot dat moment een vaste rente-afdekking wordt gehanteerd van 76%. De renteafdekking wordt gerealiseerd via de matchingportefeuille en de rentecomponent uit hypotheken. 

Het pensioenfonds houdt in de renteafdekking niet alleen rekening met de huidige verplichtingen maar ook met de opbouw van nieuwe pensioenverplichtingen. Doordat het premiepercentage voor toekomstige verplichtingen voor een bepaalde periode vaststaat, vertegenwoordigt de verwachte opbouw een economisch renterisico voor het pensioenfonds. Dit betekent dat in de berekening van het renterisico per begin 2024 werd rekening gehouden met de nieuwe opbouw tot en met eind 2024. 

2.2.3 Maatschappelijk verantwoord beleggen

Sinds 2013 moeten pensioenfondsen wettelijk investeringen vermijden in bedrijven die te maken hebben met de productie, verkoop of distributie van clustermunitie, maar ook in beleggingsinstellingen en indexen waar clustermunitie-ondernemingen voor meer dan 5% deel van uitmaken. Ook dienen fondsen investeringen te vermijden wanneer sprake is van plaatsing van een onderneming op een zwarte lijst of van sanctiemaatregelen, zoals tegen Rusland en Syrië.

Naast deze wettelijke vereisten heeft het bestuur in 2024 besloten om MVB-beleid te actualiseren en te verscherpen. Het herziene beleid wordt in 2025 geïmplementeerd.
Om het MVB-beleid te implementeren dienen er stappen te worden genomen. Naar aanleiding van het RPO kunnen deze stappen wijzigen, maar het pensioenfonds heeft de volgende stappen als vertrekpunt opgesteld om het herziene MVB-beleid te implementeren:
•          Verwerken van de herziene ESG-criteria in de evaluaties met de managers, selectiecriteria, investmentcases en kaderstellingen.
•          Om de gestelde MVB-doelstellingen te behalen dient eerst gekeken te worden waar Recreatie momenteel staat. Hiervoor zal een 'nulmeting' uitgevoerd doen naar de ESG-indicatoren uit het MVB-beleid.
•          Verwerken implementaties in het risicomanagement-beleid.
•          Voldoen aan de wettelijke vereisten om de pensioenregeling te classificeren als een artikel 8 product.
•          Communicatie met de deelnemers door beleidstukken en teksten op de website te updaten.

Het pensioenfonds vereist van de uitbestedingspartijen een duurzame en maatschappelijk verantwoorde bedrijfsvoering (aantoonbaar door een UN PRI of soortgelijke verklaring). Voor de vermogensbeheerders aan wie het pensioenfonds werkzaamheden heeft uitbesteed, geldt dat deze de UN PRI hebben ondertekend.

Daarnaast dienen de fondsmanagers ook rekening te houden met diverse principes die gebaseerd zijn op internationale initiatieven, zoals de UN Global Compact of de OECD-principes en het uitsluitingenbeleid van Recreatie. Verder dienen ESG-factoren geïntegreerd te zijn in het beleggingsproces van de fondsmanagers.
 
Het pensioenfonds belegt voornamelijk in passieve beleggingsfondsen en heeft geen rechtstreekse invloed op de keuze in welke ondernemingen wordt belegd. Immers, het pensioenfonds belegt in beleggingsfondsen waarbij individuele selectie van ondernemingen niet mogelijk is. Voor de implementatie van het MVB-beleid evalueert het pensioenfonds ook of de beleggingsfondsen waarin momenteel belegd is nog passend zijn bij het pensioenfonds.

2.2.4 Sustainable Finance Disclosure Regulation (SFDR) en EU-criteria

Het pensioenfonds heeft besloten om om de pensioenregeling als een artikel 8 product volgens de SFDR te gaan classificeren, waarbij het pensioenfonds momenteel in het proces zit om aan alle vereisten voor een classificatie van artikel 8 classificatie te voldoen. Daarnaast heeft het bestuur besloten geen ongunstige effecten van zijn beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren in aanmerking te nemen. Dit besluit is genomen door gebruik te maken van de opt-out mogelijkheid in de zin van artikel 4(1)(b) SFDR. Het pensioenfonds heeft deze mogelijkheid benut om hoge kosten van extra rapportages te voorkomen. Als klein pensioenfonds wil het bestuur geld liever ten gunste van zijn deelnemers doen komen om zo een stabiele pensioenuitkering te kunnen garanderen. Veel kosten die verband houden met de SFDR, zoals het publiceren over PAI-indiciatoren, zijn vaste kosten die geen verband houden met de grootte van het pensioenfonds, hierdoor zijn de kosten voor het pensioenfonds als klein fonds relatief hoog.

Het pensioenfonds classificeert de pensioenregeling als een regeling die geen ecologische of sociale kenmerken promoot, omdat het duurzaamheidsaspect geen primaire doelstelling is van het pensioenfonds.

Het pensioenfonds stelt de deelnemers centraal, zorgt ervoor dat het pensioen op een goede en kostenefficiënte manier geadministreerd wordt en deelnemers op tijd het pensioen uitbetaald krijgen. Om hoge (onvoorziene) kosten van extra rapportages te voorkomen is voor de huidige kwalificatie gekozen. Voor meer informatie over de wijze waarop rekening wordt gehouden met duurzaamheid verwijst het pensioenfonds naar het MVB-beleid. In 2024 heeft Recreatie het MVB-beleid herzien. Dit herziene beleid wordt in 2025 geïmplementeerd, waarbij diverse ecologische en sociale kenmerken zullen worden gepromoot, zoals het volgen van een CO2-reductiepad en de integratie van ESG-factoren in het beleggingsproces. Na implementatie van het beleid zal het pensioenfonds de pensioenregeling als een artikel 8-product classificeren in plaats van als artikel 6.

Duurzaamheidsrisico’s zijn onderdeel van het risicomanagementframework. Deze risico’s kunnen effect hebben op het rendement van de beleggingsportefeuille. Jaarlijks worden deze risico’s beoordeeld en wordt vastgesteld of de bestaande mitigerende maatregelen voldoende zijn of dat aanvullende maatregelen moeten worden genomen. Daarnaast zijn in de ALM-studie klimaatrisico’s onderzocht en geaccepteerd door het bestuur. Het pensioenfonds houdt zich aan Verordening (EU) 2019/2088 van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiële dienstensector (SFDR). Het beloningsbeleid van het pensioenfonds zet niet aan tot het nemen van buitensporige risico’s in verband met duurzaamheidsrisico’s. Een op grond van het beloningsbeleid toegekende beloning is niet afhankelijk van het al dan niet nemen van duurzaamheidsrisico’s. 

2.2.5 Prudent person

Sinds 2015 is expliciet in de regelgeving opgenomen dat het pensioenfonds onderbouwt dat het strategisch beleggingsbeleid en het beleggingsplan passen binnen de prudent person regel. Het pensioenfonds heeft ten behoeve van de prudent person toets door de certificerend actuaris een vragenlijst ingevuld. Deze vragenlijst is een self-assessment waarmee het pensioenfonds de onderbouwing vastlegt. Het pensioenfonds is van mening dat het voldoet aan de prudent person regel. De belangrijkste uitgangspunten voor toepassing van het prudent beginsel zijn vastgelegd in wet- en regelgeving. In bijlage 7 is een samenvatting van de onderbouwing opgenomen.

2.2.6 Terugblik resultaat 2024

Het beleggingsjaar 2024 bracht een positieve ontwikkeling voor alle categorieën, met name voor aandelen. De volgende tabel toont het beleggingsresultaat van het pensioenfonds in 2024. 

Beleggingscategorie Rendement Portefeuille Rendement Benchmark Benchmark
Matchingportefeuille      
Vastrentende waarden (staatsobligaties, renteswaps en kasgeld) 2,4% 2,4%  
       
Returnportefeuille 14,8% 13,1%  
Aandelen 24,5% 24,0%  
Ontwikkelde landen 27,4% 26,7% MSCI World ex. Controversies
Opkomende Landen 14,3% 14,7% MSCI Emerging Markets
Small Cap EAFE 8,3% 8,6% MSCI EAFE Small Cap
Small Cap US 19,5% 19,0% MSCI USA Small Cap
Bedrijfsobligaties 5,1% 4,6% iBoxx EUR Corporates
Asset-backed securities 7,0% 4,5% Barclays ABS FR Euro & Barc Capital ABS FR Euro
Hypotheken 5,1% 4,1% Barclays Cust. PHF Swap Index
       
Totaal (exclusief valutahedge) 9,8% 8,8%  
Totaal (inclusief valutahedge) 8,4% 7,4%  

Voor het benchmarkrendement van de matchingportefeuille geldt dat deze gelijkgesteld is aan het feitelijke rendement. In 2024 heeft de portefeuille een underperformance ten opzichte van de benchmark gehaald, met name door de categorie hypotheken. In de paragrafen hieronder is een toelichting per categorie opgenomen.

Toelichting rendement matchingportefeuille

De matchingportefeuille heeft tot doel om het renterisico op de verplichtingen gedeeltelijk af te dekken. In 2024 heeft het bestuur besloten om de rentestaffel te 'bevriezen' tot de transitiedatum naar de nieuwe solidaire premieregeling. Het strategisch afdekkingsniveau is daarmee statisch geworden en is 76%.

De 30-jaars rente is in 2024 gedaald, van 2,34% aan het begin van het jaar naar 2,16% aan het einde van het jaar. Door de rentedaling stegen de verplichtingen in waarde, en was eveneens het rendement op de matchingportefeuille positief. 

Vanwege het bestuursbesluit om geen verlagingen van de rente-afdekking door te voeren tot de transitiedatum naar de solidaire premieregeling is de renteafdekking in 2024 gelijk gebleven op 76%.

Effectiviteit renteafdekking 
Maandelijks wordt de actuele (ex-ante) renteafdekking gemonitord. Eenmaal per kwartaal wordt over de gerealiseerde (ex-post) renteafdekking gerapporteerd. Ontwikkelingen in de spread en overige factoren kunnen ervoor zorgen dat de gerealiseerde afdekking afwijkt van de strategische afdekking. Dit is met name het geval als de rentebewegingen klein zijn.

  2024 2023
Resultaat verplichtingen (EUR mln) 59,2 34,9
Resultaat matchingportefeuille (EUR mln) 17,2 31
Strategische renteafdekking 76% 76%
Gerealiseerde renteafdekking* 29,1% 88,8%

De gerealiseerde renteafdekking in 2024 van 29,1% was fors lager dan de strategische renteafdekking. De lagere effectiviteit is grotendeels te verklaren door het negatieve spreadresultaat als gevolg van gestegen swapspreads.

Attributie resultaat matchingportefeuille 
Het resultaat van de matchingportefeuille kan worden verdeeld in drie componenten: renteontwikkelingen, spreadontwikkelingen (de spread is het verschil tussen de rente op swaps en staatsobligaties) en overige componenten.

Resultaat Matchingportefeuille Matchingportefeuille Verplichtingen
(EUR mln.)    
Totaal 17,2 59,2
     
Rente 31,7 59,2
Spread -14,2  0,0
Overig 0,0  0,0

Rente
Het renterisico wordt gevormd door de huidige verplichtingen en de verwachte opbouw van verplichtingen waarvan de premie vastligt. Het resultaat op de verplichtingen wordt berekend middels de swaprente. De matchingportefeuille heeft tot doel een deel van het renterisico af te dekken. Dit gebeurt door middel van vastrentende waarden zoals swaps, staats(gerelateerde)obligaties en kasgeld.

Spread
De rente op staatsobligaties kent een op- of afslag ten opzichte van de swaprente. Een verandering van deze opslag levert een resultaat op. In 2024 was dit resultaat € -24,5 mln.

Overig
Het overige resultaat komt onder meer doordat de korte rente die wordt betaald op swaps niet gelijk is aan de rente die ontvangen wordt op kasgeld en kortlopende staatsobligaties. In 2024 was dit resultaat € 10,3 mln.

Toelichting rendementen returnportefeuille 

Aandelen (37,0% van het vermogen) 
Het pensioenfonds belegt op een passieve wijze in een wereldwijd gespreide aandelenportefeuille. Het behaalde rendement op de aandelenportefeuille was 24,5%. Dit is 0,5% hoger dan  het benchmarkrendement.

De getoonde cijfers voor aandelen zijn exclusief het effect van de valuta-afdekking. 

Bedrijfsobligaties (6,1% van het vermogen)
Het rendement van het bedrijfsobligatiefonds over het gehele jaar bedroeg 5,1%. Dit is 0,5%-punt hoger dan het benchmarkrendement. Het fonds belegt in obligaties met een hoge kredietwaardigheid volgens een “enhanced indexing” strategie waarbij beperkt kan worden afgeweken van de benchmark. Met name door de ”carry” en de daling van de rente en spreads was het rendement positief.

Asset-backed securities(ABS) (6,2% van het vermogen)
Het ABS-fonds belegt actief in asset-backed securities met een hoge kredietwaardigheid, genoteerd in euro en gespreid over verschillende uitgevers, onderpanden, sectoren en landen. Het rendement was 7,0% in de belegde periode, 2,5%-punt hoger dan het benchmarkrendement van 4,5%.

Hypotheken(13,6% van het vermogen)
Het hypothekenfonds behaalde een rendement van 5,1%. Dit is 1,0%-punt hoger dan het benchmarkrendement van 4,1%. Het overrendement werd met name veroorzaakt door een daling van de kredietopslag in de rente die gebruikt wordt voor de waardering van de hypotheekportefeuille ten opzichte van de risicovrije rente. Voor deze categorie is geen goed passende benchmark beschikbaar. De benchmark is gebaseerd op de risicovrije rente. Voor de waardering van de portefeuille wordt een gemiddelde hypotheekrente gebruikt. Doordat de risicovrije rente relatief meer gedaald is ten opzichte van de rente die gebruikt wordt om de hypothekenportefeuille te waarderen, heeft de benchmark beter gepresteerd dan de portefeuille.

Toelichting valuta-afdekking
Valutarisico wordt vanuit de beleggingsovertuigingen niet als bron van rendement gezien. Het beleid van het pensioenfonds is om deze risico’s af te dekken indien er sprake is van een materiële blootstelling. Een volledige afdekking is niet optimaal omdat er sprake is van samenhang tussen de valutakoers en het aandeel. Dit komt mede doordat een aandeel dat in dollars genoteerd is ook inkomsten uit andere regio’s zoals het Eurogebied heeft. De strategische valuta-afdekking is bepaald op 75% voor uitsluitend de US dollar. Eind 2024 is dit nog steeds de enige materiële positie in vreemde valuta.

Munteenheid Blootstelling Q4 2024 Blootstelling Strategische
  (in EUR mln) (% balans) Afdekking
Amerikaanse Dollar 276 24,2% 75% (+/- 10%)
Britse Pond 15 1,3% 0%
Japanse Yen 28 2,5% 0%
Zwitserse Franc 8 0,7% 0%
Australische Dollar 8 0,7% 0%

Bovenstaande grafiek toont de valutablootstelling en de valuta-afdekking (in EUR mln.) op het einde van iedere kalendermaand. De indicatiestrepen geven de gewenste afdekking (75% - donkerblauw) en de bandbreedte (65% tot 85% - lichtgroen) aan. Doordat de valutadoorrol midden in de maand plaatsvindt kan de afdekking einde maand afwijken van de strategische afdekking. Te zien is dat de afwijking beperkt is en binnen de bandbreedte valt. Eind 2024 bedroeg de feitelijke afdekking 77%.

Z-score en performancetoets <Gegevens nog actualiseren naar 2024, z-score nog niet beschikbaar>

Het pensioenfonds is een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds. Wanneer de beleggingsperformance van het pensioenfonds onder een door de wetgever bepaalde grens valt, moet het pensioenfonds, op basis van het vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000, vrijstelling verlenen van de verplichtstelling wanneer een onderneming daarom verzoekt. De pensioenregeling moet wel gelijkwaardig zijn aan die van het pensioenfonds.

Om te bepalen of de beleggingsperformance van het pensioenfonds boven een bepaalde grens ligt, wordt het feitelijke beleggingsrendement vergeleken met het rendement van een door het pensioenfonds vastgestelde normportefeuille. Dit wordt gedaan door jaarlijks de Z-score van het pensioenfonds te bepalen. Hierbij wordt het rendement (de performance) van het pensioenfonds en het rendement van de benchmark vergeleken, en het verschil gedeeld door een factor die afhankelijk is van de samenstelling van het belegde vermogen (de verhouding obligaties/aandelen).

Voor het bepalen van de ongecorrigeerde performancetoets worden de Z-scores over een periode van 5 jaar opgeteld en gedeeld door de wortel van vijf. Volgens het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 dient bij deze ongecorrigeerde performancetoets 1,28 opgeteld te worden. De uitkomst van deze gecorrigeerde performancetoets moet positief zijn. Meer informatie over de berekening van de Z-score en de performancetoets is te vinden in het Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf 2000.

    Ongecorrigeerde Gecorrigeerde
Jaar Z-score Performancetoets (5 jaar) Performancetoets (5 jaar)
2024      
2023 -1 -0,15 1,13
2022 -0,21 0,24 1,52
2021 2,04 0,3 1,58
2020 -0,75 0,76 2,04

2.3 Ontwikkeling dekkingsgraad

De dekkingsgraad wordt berekend door het vermogen te delen door de verplichtingen van het pensioenfonds:

  • De verplichtingen worden vastgesteld op basis van de rente die DNB voorschrijft;
  • Het vermogen wordt vastgesteld op basis van actuele marktwaarde. Wanneer de rente stijgt of daalt werkt dit meteen door in de waarde van de beleggingen.

Het verloop van de dekkingsgraad laat zien welke componenten in 2024 de meeste invloed hebben gehad op de ontwikkeling van de dekkingsgraad. De dekkingsgraad heeft zich gedurende het jaar als volgt ontwikkeld:

  2024 2023
Actuele dekkingsgraad primo jaar 115,9% 110,4%
Resultaat op beleggingen 5,3% 5,8%
Resultaat a.g.v. wijziging rts -3,8% -2,7%
Resultaat op premie -0,3% 2,0%
Resultaat op waardeoverdrachten 0,2% 1,0%
Resultaat op kosten -0,2% -0,2%
Resultaat op uitkeringen 0,1% 0,1%
Resultaat op kanssystemen (arbeidsongeschiktheid en sterfte) -0,3% 0,0%
Resultaat op toeslagverlening -1,1% 0,0%
Resultaat op wijziging actuariële grondslagen 0,0% 0,0%
Resultaat op overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen -0,5% -0,5%
Resultaat op andere oorzaken en kruiseffecten [8] 0,4% 0,0%
Actuele dekkingsgraad ultimo boekjaar 115,7% 115,9%

In 2024 is de dekkingsgraad licht gedaald van 115,9% ultimo 2023 naar 115,7% aan het eind van 2024. De beleidsdekkingsgraad is gestegen van 115,9% naar 118,4%. Het verloop van de dekkingsgraad is in de onderstaande grafiek weergegeven. De dekkingsgraad van het pensioenfonds zit het gehele jaar boven de minimaal vereiste dekkingsgraad (MVEV) van 104,5%. De vereiste dekkingsgraad is eind 2024 114,7%.

2.3.1 Ontwikkeling resultaat en technische voorziening

Ontwikkeling van de technische voorziening

(bedragen x € 1.000) 2024 2023
  860.416 802.605
Pensioenopbouw 65.785 43.962
Toeslagverlening 8.061 0
Rentetoevoeging 30.978 26.010
Onttrekking voor pensioenuitkeringen en uitvoeringskosten -11.828 -9.471
Wijziging marktrente 29.157 20.221
Wijziging uit hoofde van overdracht van rechten -4.677 -26.115
Wijziging actuariële grondslagen 3.198 -1.855
Overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen 0 5.381
Overige mutaties 1.978 -322
Totaal technische voorziening 983.068 860.416

Analyse van het resultaat

(bedragen x € 1.000) 2024 2023
Resultaat op beleggingen 52.781 51.336
Resultaat op wijziging RTS -29.157 -20.221
Resultaat op premie 7.320 21.420
Resultaat op waardeoverdrachten 1.525 4.975
Resultaat op kosten -1.042 -1.027
Resultaat op uitkeringen -227 -216
Resultaat op wijziging actuariële grondslagen -3.198 1.855
Resultaat op indexering en overige toeslagen -8.061 0
Resultaat op overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen 0 -5.381
Resultaat op kanssystemen en andere oorzaken -1.812 475
Totaal saldo van baten en lasten 18.129 53.216

Het totaal saldo van baten en lasten betreft tevens de stand zoals deze ultimo 2024 toegevoegd is aan het eigen vermogen zoals deze in de jaarrekening is gepresenteerd. In 2024 zijn de volgende belangrijke effecten op actuarieel resultaat te onderscheiden:

Beleggingen
Het rendement op de beleggingen (8,4%) draagt in 2024 positief bij aan de ontwikkeling van de dekkingsgraad. De benodigde interest over boekjaar 2024 wordt bepaald aan de hand van de 1-jaars rente uit de curve van 31-12-2023, 3,439%.

Wijziging rentetermijnstructuur (RTS)
De RTS ultimo 2024 ligt boven de RTS ultimo 2023 en zorgt daarmee voor een toename van de technische voorziening. Dit levert een negatieve bijdrage aan het resultaat.

Premie
Het resultaat op premie wordt vastgesteld door de totaal ontvangen premie af te zetten tegen de actuarieel benodigde premie. Per saldo is het resultaat op premie positief.

Toeslagverlening
Het bestuur heeft op basis van de financiële positie per 1-1-2024 een toeslag kunnen verlenen van 0,86%.

Resultaat op kosten
Het bestuur van het pensioenfonds heeft besloten de kosten voor de Wet toekomst pensioenen (Wtp) niet ten laste van de premie te laten komen. De gerealiseerde kosten voor Wtp in 2024 waren 1.042. Het resultaat op kosten in 2024 bedraagt daardoor -1.042.

Voor 2024 is een opslag van 1,2% voor uitvoeringskosten in de premie opgenomen. 

Wijziging actuariële grondslagen
Een aanpassing van de actuariële grondslagen of methoden in het verslagjaar leidt tot nieuwe eisen ten aanzien van de prudentie van de grondslagen. Indien de grondslagen wijzigen (bijvoorbeeld als gevolg van aanpassing van de sterftegrondslagen) wordt dit resultaat hier vermeld.

Het pensioenfonds heeft in 2024 de parameters voor het bepalen van de hoogte van de IBNR-voorziening aangepast (PVI opslag is verhoogd van 1,1% naar 1,5%) waardoor de IBNR-voorziening met 2.704 is toegenomen. 

Overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen
Naast de wijziging in de TV als gevolg van gewijzigde grondslagen kan de TV ook door andere redenen een incidentele wijziging ondergaan. In het boekjaar bedraagt dit een resultaat van 0.  

Kanssystemen en andere oorzaken
Aan het vaststellen van de technische voorzieningen liggen kanssystemen ten grondslag. De belangrijkste zijn sterfte en arbeidsongeschiktheid. Het resultaat op arbeidsongeschiktheid is -3.574. Het resultaat op sterfte is 945 en overige mutaties 387.

Overige actuariële resultaten ontstaan doordat de feitelijke uitkomsten afwijken van datgeen actuarieel verondersteld is. Deze resultaten zijn niet toe te wijzen aan één van de eerder genoemde categorieën.

Het resultaat in deze categorie bedraagt -1.812.

De verschillende actuariële resultaten worden in de jaarrekening nader toegelicht. Voor het oordeel van de actuaris wordt verwezen naar de actuariële verklaring.

Saldo baten en lasten over de afgelopen jaren

           
(bedragen x € 1.000) 2024 2023 2022 2021 2020
Premieresultaat          
Premiebijdragen 77.879 70.732 60.203 57.658 54.530
Pensioenopbouw -63.771 -43.962 -63.741 -60.070 -51.304
Overige mutaties technische voorziening -4.774 -4.013 1.338 -4.359 -3.457
Pensioenuitvoeringskosten* -2.014 -1.337 -1.338 -4.770 -4.594
  7.320 21.420 -3.539 -11.541 -4.825
Interestresultaat          
Beleggingsresultaten 83.759 77.346 -381.501 7.004 150.024
Rentetoevoeging technische voorziening -30.978 -26.010 5.736 6.501 3.289
Wijziging marktrente -29.157 -20.221 414.669 84.666 -188.611
  23.624 31.115 38.904 98.171 -35.298
Overige resultaten          
Resultaat op waardeoverdrachten 1.525 4975 -270 -499 -898
Resultaat op kanssystemen (arbeidsongeschiktheid en sterfte) -2.387 137 450 -3307 -822
Resultaat op uitkeringen -227 -216 54 60 -144
Resultaat op kosten -1.042 -1.027 0 0 0
Resultaat op toeslagen -8.061 0 0 0 0
Wijziging actuariële grondslagen -3.198 1.855 -12712 0 33282
Wijziging overige actuariële uitgangspunten 0 -5.381 464 1.624 1267
Overige baten 624 422 7 223 44
Overige lasten -49 -84 -24   -299
  -12.815 681 -12.031 -1.899 32.430
Totaal saldo van baten en lasten 18.129 53.216 23.334 84.731 -7.693

2.3.2 Kostendekkende premie

De kostendekkende premie bestaat uit een actuarieel benodigde premie voor de pensioenopbouw en de risicodekkingen voor overlijden en arbeidsongeschiktheid, de solvabiliteitsopslag, de opslag voor uitvoeringskosten en de opslag voor toeslagverlening.

De toename van de pensioenverplichtingen in het boekjaar wordt gefinancierd op basis van verwacht rendement met een opslag voor toekomstbestendige toeslagverlening ter hoogte van de verwachte prijsindexatie. In de feitelijke premie van 2024 is geen dekkingsgraad afhankelijke herstelbijdrage opgenomen.

In de volgende tabel is een overzicht van de kostendekkende premie opgenomen. De kostendekkende premie is berekend op basis van de rentetermijnstructuur. De gedempte kostendekkende premie is op basis van het verwachte rendement vastgesteld.

       
Premie 2024 (bedragen x € 1.000) RTS Gedempt Feitelijk
Actuarieel benodigde premie voor inkoop onvoorwaardelijke onderdelen van de regeling      
Regulier 57.560 32.305  
Risicopremie partner- en wezenpensioen 2.080 1.303  
Opslag voor uitvoeringskosten 6.860 5.950  
Risicopremie arbeidsongeschiktheid 3.918 3.918  
Solvabiliteitsopslag 9.912 5.844  
Actuarieel benodigde premie inkoop voorwaardelijke onderdelen van de regeling   27.415  
Toetswaarde premie 80.330 76.735 77.407
       
Overige premie      
Afrekening vorig jaar     95
Anw-premie     141
       
Totaal feitelijke premie     77.643

De premiedekkingsgraad geeft aan in hoeverre de ontvangen pensioenpremie in een jaar voldoende is om de nieuwe pensioenaanspraken te kunnen financieren. Deze wordt bepaald door de beschikbare premie voor inkoop van onvoorwaardelijke onderdelen te delen door de actuarieel benodigde premie voor onvoorwaardelijke onderdelen. De beschikbare premie wordt verminderd met de opslag voor uitvoeringskosten.

De premiedekkingsgraad per 1 januari 2024 is ex-ante vastgesteld op 112,0%. Een premiedekkingsgraad van minder dan 100% draagt niet bij tot herstel van de dekkingsgraad. Ten opzichte van de premiedekkingsgraad per 1 januari 2023 van 146,0% is er sprake van een daling als gevolg van de lagere rente. De ex ante premiedekkingsgraad per 1 januari 2024 bedraagt 137% op basis van de RTS van 30 september 2023.

De adviserend actuaris heeft aangegeven dat dit voor 2023 als voldoende evenwichtig kan worden beschouwd. Het bestuur deelt deze mening. De premiedekkingsgraad belemmert het herstel van de financiële positie niet substantieel. In de verklaring van opdrachtverstrekking en -aanvaarding van sociale partners en het pensioenfonds, die in 2021 is overeengekomen en geldt per 1 januari 2020, is opgenomen dat het bestuur jaarlijks de evenwichtigheid toetst aan de hand van het verschil tussen de actuele dekkingsgraad en de premiedekkingsgraad. Indien er in enig jaar een te grote afwijking is tussen de actuele dekkingsgraad en de premiedekkingsgraad, waardoor er volgens het pensioenfonds sprake is van onevenwichtigheid, treedt het pensioenfonds in overleg met sociale partners. Doel van het overleg is te verzoeken aan sociale partners om tot een evenwichtige oplossing te komen.

Oordeel van de externe actuaris over de financiële positie 
De financiële positie van het pensioenfonds is naar mening van de waarmerkend actuaris voldoende. Daarbij is bepalend de mate waarin het pensioenfonds zal kunnen voldoen aan de verplichtingen, aangegaan tot balansdatum, in aanmerking nemend het streven inzake toeslagen, zoals aan verzekerden meegedeeld en de in wet- en regelgeving opgenomen criteria.

2.4 Toeslagenbeleid

Naast de doelstelling van het pensioenfonds om te streven naar een nominaal pensioen, wordt koopkrachtbehoud beoogd, maar niet tegen elke prijs. Om deze doelstelling te realiseren heeft het pensioenfonds een toeslagenbeleid vastgesteld. Het toeslagenbeleid voldoet aan de wettelijke regels over het verlenen van toeslagen.

Voorwaardelijke toezegging

Het pensioenfonds heeft een voorwaardelijk toeslagbeleid, gebaseerd op de ambitie de pensioenen waardevast te houden. De daarbij gehanteerde maatstaf is de stijging van het CBS-consumentenprijsindexcijfer (CPI), alle bestedingen afgeleid, over de periode 1 oktober van het jaar t-2 tot 1 oktober van het jaar t-1.

Het bestuur beoordeelt jaarlijks of en in hoeverre het verlenen van een toeslag mogelijk is. Het bestuur betrekt in zijn beoordeling onder meer:

  • De financiële positie van het pensioenfonds en de eisen die de Pensioenwet daaraan stelt in het algemeen, én
  • De beleidsdekkingsgraad van het pensioenfonds en de vrije reserve van het pensioenfonds in het bijzonder.

Voor de toe te kennen toeslag hanteert het bestuur de onderstaande leidraad. Het bestuur kan besluiten om van deze leidraad af te wijken.

  • Als de beleidsdekkingsgraad lager is dan 110% worden er geen toeslagen verleend;
  • Als de beleidsdekkingsgraad hoger of gelijk is aan de bovengrens, wordt de volledige toeslag verleend;
  • Als de beleidsdekkingsgraad boven de 110% is, maar onder de bovengrens, dan wordt er toeslag verleend voor zover deze in de toekomst te realiseren is:
  1. Hiervoor is beschikbaar de ruimte tussen de beleidsdekkingsgraad en de ondergrens van 110%;
  2. Er wordt bepaald hoeveel dekkingsgraadpunten de beleidsdekkingsgraad zou dalen bij 1% toekomstige toeslagverlening waarbij voor de benodigde kosten voor toeslagverlening rekening wordt gehouden met het verwachte netto meetkundig rendement op zakelijke waarden;
  3. Vervolgens wordt de te verlenen toeslag als volgt bepaald: Uitkomst onder 1 gedeeld door de uitkomst onder 2 vermenigvuldigd met 1%;
  4. De onder 3 bepaalde toeslag wordt toegekend aan zowel actieve als niet-actieve deelnemers en aan gepensioneerden.

Per 30 september 2024 bedraagt de bovengrens 141,0%.

Als de beleidsdekkingsgraad hoger is dan de bovengrens, kan het bestuur besluiten tot het inhalen van gemiste indexaties of repareren van eerdere kortingen. De maximale termijn voor inhaalindexaties of reparatie van kortingen bedraagt 10 jaar. Voor toekenning van bovengenoemde incidentele toeslagen zal maximaal 20% van het vermogen boven de bovengrens worden aangewend. Wettelijk mag een pensioenfonds geen toeslag verlenen indien de beleidsdekkingsgraad onder de 110% ligt.

Door de financiële positie van het fonds zijn de opgebouwde en ingegane pensioenen per 1 januari 2024 niet verhoogd.

Er was een mogelijkheid om voor de indexatie per 1 januari 2024 uit te gaan van een herijkte maatstaf [9]. Het toepassen van de aangepaste maatstaf zou leiden tot een geringe indexatie. Echter het voordeel van deze indexatie weegt niet op tegen de te maken uitvoeringskosten. Om de dekkingsgraad van het pensioenfonds niet onnodig te belasten met het oog op de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel heeft het bestuur besloten om geen gebruik te maken van een indexatie op basis van de herijkte maatstaf. 

Algemene maatregel van bestuur

In januari 2022 werd een Algemene maatregel van bestuur van kracht met betrekking tot het verhogen van de pensioenen (indexeren). Deze maatregel maakt het voor pensioenfondsen mogelijk om vanaf 1 juli 2022 versneld te indexeren indien de beleidsdekkingsgraad hoger is dan 105%. De maatregel is vooral bedoeld om de indexatieachterstand uit het verleden niet nóg verder op te laten lopen. De maatregel is tijdelijk en pensioenfondsen die er gebruik van maken, moeten aan veel voorwaarden voldoen. Het bestuur heeft besloten om de pensioenen per 1 januari 2023 niet te verhogen. We gaan in Nederland toe naar een nieuw pensioenstelsel. Op het moment dat het pensioenfonds overgaat naar het nieuwe pensioenstelsel, moet het pensioenfonds een goede dekkingsgraad hebben anders kan het zijn dat de pensioenen verlaagd moeten worden. Gezien de financiële positie van het fonds met het oog op de beoogde transitie in het kader van Wtp, achtte het bestuur versnelde toeslagverlening per 1 januari 2023 niet verantwoord.

Om de dekkingsgraad van het pensioenfonds niet onnodig te belasten met het oog op de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel heeft het bestuur besloten om per 1 januari 2024 geen gebruik te maken van de Algemene maatregel van bestuur.

Toeslag per 1 januari 2025

Het bestuur heeft in de bestuursvergadering van 20 november 2024 besloten om per 1 januari 2025 een gedeeltelijke toeslag te verlenen van 0,86%. 

[9] Gewijzigde maatstaf, methodiek CBS ontwikkeling prijsindexcijfer van gepubliceerde naar onderzoeksreeks.

2.5 Kortingsbeleid

Bij een slechtere financiële situatie van het pensioenfonds kan het pensioenfonds een aantal maatregelen treffen. Het pensioenfonds kan kiezen voor het niet toekennen van een toeslagverlening, het verhogen van de premie, het versoberen van de pensioenregeling en het aanpassen van of ingrijpen in het beleggingsbeleid. Als deze maatregelen niet voldoende zijn, heeft het pensioenfonds nog een uiterste maatregel. Deze uiterste maatregel is het korten van het pensioen. Dit betekent dat de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten worden verlaagd met een bepaald percentage. Het pensioenfonds heeft de opgebouwde pensioenen en pensioenrechten in 2024 niet hoeven te verlagen, omdat de beleidsdekkingsgraad in 2024 verder is gestegen van 115,9% naar 118,4% en boven het minimaal vereist eigen vermogen (MVEV) ligt.

Herstelplan 2023
Op 28 maart 2023 is een herstelplan ingediend, omdat de dekkingsgraad lager was dan het vereist eigen vermogen (VEV). Op basis van de systematiek van het herstelplan zou het fonds binnen 2 jaar uit reservetekort zijn: eind 2024 wordt op basis van het herstelplan een beleidsdekkingsgraad verwacht van 114,1% (dit is meer dan het VEV van 113,6%).

DNB heeft op 23 mei 2023 schriftelijk laten weten dat zij instemmen met het herstelplan van het fonds.

In voorgaande jaren is vrijstelling verleend van de termijnen die gelden om te voldoen aan het (M)VEV. Op 23 december 2022 is door Minister Schouten aangeven dat de tijdelijke vrijstellingsregeling wordt verlengd tot 1 juli 2023. De Tweede Kamer had hierover een motie ingediend. Dit betekent dat een pensioenfonds vrijstelling kan verkrijgen voor de hersteltermijn van tien jaar en van het gestelde aantal van zes meetmomenten voor pensioenfondsen die van deze regeling gebruik maken. Als de dekkingsgraad van een pensioenfonds dat van deze regeling gebruik wil maken, naar de stand van 31 december 2022, lager is dan 90%, dient het pensioenfonds een onvoorwaardelijke korting door te voeren zodat de dekkingsgraad, naar de stand van 31 december 2022, direct stijgt tot ten minste 90%. Door de stijgende dekkingsgraden is korten per 1 januari 2023 bij de meeste pensioenfondsen niet aan de orde.

2024
De beleidsdekkingsgraad is per 31 december 2023 (115,9%) hoger dan het VEV (115,1%). Dit betekent dat het fonds géén actualisatie van het herstelplan hoeft in te dienen.

2025
De beleidsdekkingsgraad is per 31 december 2024 (118,4%) hoger dan het VEV (115,0%). Dit betekent dat het fonds géén actualisatie van het herstelplan hoeft in te dienen.

2.6 Uitvoeringskosten

Eén van de taken van het pensioenfonds is het uitvoeren van de pensioenregeling. In deze paragraaf wordt ingegaan op de kosten van de uitvoering, de klachten-en geschillenregeling, de incidentenregeling en het communicatiebeleid.

2.6.1 Kosten uitvoering pensioenbeheer

Het bestuur maakt voor de uitvoering van de regeling diverse kosten. Het bestuur vindt een transparante verantwoording en heldere communicatie over de gemaakte kosten van belang. De “Aanbevelingen Uitvoeringskosten” opgesteld door de Pensioenfederatie worden hierbij gehanteerd. Er wordt onderscheid gemaakt in 3 kostensoorten: pensioenbeheer, vermogensbeheer en transactiekosten.

     
Kostenratio per kostensoort 2024 2023
Kostenratio pensioenbeheer (€ per deelnemer) inclusief Wtp 206 218
Totale kosten pensioenbeheer (€ x 1000) inclusief Wtp 5.878 5.404
Kostenratio pensioenbeheer (€ per deelnemer) exclusief Wtp 170 177
Totale kosten pensioenbeheer (€ x 1000) exclusief Wtp 4.836 4.377
Kostenratio vermogensbeheer (% van het gemiddeld belegd vermogen) 0,25% 0,25%
Totale kosten vermogensbeheer (€ x 1000) 2.610 2.256
Kostenratio transactiekosten (% van het gemiddeld belegd vermogen) 0,01% 0,02%

De kosten zijn in 2024 gestegen door extra werkzaamheden in verband met de transitie naar de nieuwe pensioenregeling en door inflatiecorrecties.

De totale kostenratio geeft een totaalinzicht in alle kosten van het beheer van een pensioenfonds, exclusief transactiekosten, als percentage van het belegd vermogen. Hiermee wordt duidelijk welke impact deze kosten hebben op het opgebouwde (pensioen)vermogen. Het kengetal dient als aanvullende, maar tevens als belangrijkste graadmeter voor de beoordeling van de kosten van het pensioenfonds. Dit percentage heeft het pensioenfonds conform aanbevelingen van de Pensioenfederatie opgenomen.

De totale kostenratio van 0,81% bestaat uit 0,56% aan pensioenuitvoeringskosten en 0,25% aan vermogensbeheerkosten. 

Uit de benchmark rapportage die het pensioenfonds door Bell Pension Consultants & Actuaries in 2024 liet uitvoeren bleek dat in 2023 de totale kostenratio 0,86% bedroeg. Het gemiddelde van de totale kostenratio (periode 2021-2023) was 0,65%, terwijl dit in de peer group 0,53% was.

Het bedrag aan uitvoeringskosten voor het pensioenbeheer bestaat uit:

         
(bedragen x € 1.000 en incl BTW) Inclusief kosten Wtp Exclusief kosten Wtp
  2024 2023 2024 2023
Bestuur 686 613 686 613
Bestuur ondersteuning 1.318 641 1.318 641
Pensioenuitvoering (TKP) 2.419 2.597 2.419 2.597
Wet toekomst pensioenen 1.042 1.027 0 0
Controle en advies 364 386 364 386
Pensioenuitvoering (overig) 384 359 384 359
Totaal 6.213 5.623 5.171 4.596
         
Allocatie naar kosten vermogensbeheer        
Kosten bestuur 137 123 137 123
Kosten bestuur ondersteuning 198 96 198 96
Kosten Beleggingsadviescommissie 0 0 0 0
Totaal allocatie naar kosten vermogensbeheer 335 219 335 219
         
Totaal pensioenbeheerskosten 5.878 5.404 4.836 4.377
         
Aantal actieven en pensioengerechtigden 28.482 24.742 28.482 24.742
Kosten per deelnemer 206 218 170 177
         
Aantal actieven, pensioengerechtigden en gewezen deelnemers 76.141 68.866 76.141 68.866
Kosten berekend over alle deelnemers 77 78 64 64
         
Gemiddeld aantal actieven en pensioengerechtigden in het jaar 26.612 24.381 26.612 24.742

Hieronder is een korte toelichting van bovenstaande kosten opgenomen. De ontwikkeling van de pensioenuitvoeringskosten wordt in de jaarrekening in hoofdstuk 9 nader toegelicht.

Kosten per deelnemer/pensioengerechtigde en kosten berekend over alle deelnemers
De totale kosten zijn ten opzichte van 2023 gestegen met € 590 duizend (voor allocatie naar vermogensbeheer). Deze stijging komt met name door de stijging van de kosten bestuursondersteuning. Door de stijging van de kosten op totaalniveau zijn de kosten per deelnemer/pensioengerechtigde in 2024 gestegen in vergelijking met het jaar ervoor. In de kosten per deelnemer zijn de kosten die gemaakt worden inzake vermogensbeheer buiten beschouwing gelaten.

Bestuur
De kosten bestuur hebben betrekking op de vergoedingen voor de werkzaamheden verband houdend met de bestuursorganen. De vergoedingen bestaan uit een vaste vergoeding, een vergoeding van reis- en verblijfkosten, opleidingskosten en overige bestuurskosten. Hierin zijn ook opgenomen de kosten voor de werkzaamheden ter ondersteuning van de Raad van Toezicht en het verantwoordingsorgaan. Bij de vaststelling van de hoogte van de beloning spelen vervangingswaarde, verantwoordelijkheid, functiewaardering en tijdsbesteding een rol. Alle leden van het bestuur hebben zitting in een commissie en/of zijn sleutelfunctiehouder. De kosten zijn in 2024 gestegen door extra vergoedingen voor werkzaamheden i.v.m de Wet toekomst pensioenen. 

Bestuursondersteuning
Dit betreft de vaste vergoedingen voor bestuursondersteuning, sleutelfunctie risicobeheer en IT-officer door Montae & Partners.

Pensioenuitvoering (TKP)
De kosten die pensioenuitvoerder TKP op jaarbasis in rekening brengt voor de vooraf afgestemde activiteiten en eventueel meerwerk worden onder deze post gerapporteerd. In de kosten TKP zijn ook kosten voor de relatiemanager en communicatie met betrekking tot #Gastvrij Pensioenfonds opgenomen. Deze kosten bedragen in 2024 € 148 duizend

Wet toekomst pensioenen
Dit betreffen advieskosten van Montae&Partners (€ 273 duizend), Willis Towers Watson (€ 198 duizend) en Triple A (€ 55 duizend). Voor algemene werkzaamheden betreffende de Wet toekomst pensioenen heeft TKP in 2024 een bedrag van € 459 duizend in rekening gebracht (20% van de totaal overeengekomen vergoeding voor Wtp en 25% aanvullende vergoeding Wtp).

Pensioenuitvoering (overig)
De overige kosten betreffen contributies, bijdragen, communicatiekosten en overige beheerskosten.

De kosten voor contributies hebben betrekking op de verplichte bijdrage vanuit het pensioenfonds aan DNB (€ 77 duizend), het Nationaal Pensioenregister (€ 13 duizend), het lidmaatschap van de Pensioenfederatie (€ 29 duizend), heffing van de AFM (€24 duizend), deelname aan MijnOverheid (€ 38 duizend) en een contributie Stichting Zelfregulering Pensioenfondsen (€ 1 duizend). De totale contributies zijn in 2024 ongeveer gelijk gebleven ten opzichte van 2023. 

De communicatiekosten bedragen in 2024 € 163 duizend (2023: € 131 duizend). Daarnaast is er nog een bedrag opgenomen aan bankkosten van € 17 duizend (2023: € 19 duizend), incassokosten van € 3 duizend (2023: € 1 duizend) en IT kosten € 19 duizend (2023: € 16 duizend).

Controle en advies
Deze kosten hebben o.a. betrekking op alle kosten in het kader van de certificering door Triple A en advisering door Willis Towers Watson (€ 155 duizend; 2023: € 142 duizend) en de kosten van de certificering van het jaarwerk door Mazars (€ 122 duizend; 2023: € 66 duizend). De advieskosten van Wijf met Bedrijf (€ 42 duizend; 2023: € 89 duizend) hebben betrekking op vervulling sleutelfunctie Risicobeheer. Compliance kosten bedragen in 2024 € 12 duizend (2023: € 8 duizend). In 2024 bedragen de kosten van KPMG voor de interne audit functie € 36 duizend (2023: € 19 duizend) en de kosten van Triple A voor de actuariële sleutelfunctie € 7 duizend (2023: € 7 duizend). De totale kosten voor controle en advies zijn gestegen ten opzichte van 2023.

<NIEUW: Tekst over de Bell kostenbenchmark die het fonds heeft laten uitvoeren in oktober 2024> <Wil het bestuur hier een oordeel toevoegen m.b.t. de uitvoeringskosten?
<=> Imke geeft aan van wel, toevoegen oordeel uitvoeringskosten door bestuur; => Ansfried merkt op dat in de benchmark appels met peren worden vergeleken>
@DB - Wij stellen voor om een apart onderdeel "Oordeel bestuur over pensioenuitvoeringskosten per deelnemer" toe te voegen. Onderstaand volgt een voorzet.
@DB - wat willen jullie concreet m.b.t. de benchmark, helemaal niets opnemen?>

Bell Kostenbenchmark 2024
Om  de eigen kosten in perspectief te kunnen plaatsen heeft het fonds in oktober 2024 een kostenbenchmark laten uitvoeren door Bell Pension Consultants & Actuaries (Rapport Werk in uitvoering 2024, publicatie 10 oktober 2024). Deze kostenbenchmark geeft inzicht in de in 2023 gemaakte uitvoeringskosten in relatie tot pensioenfondsen van gelijke omvang. Hieruit blijkt dat de gemiddelde pensioenbeheerkosten per deelnemer in de periode 2021-2023 (peergroup 42 pensioenfondsen met 10.000-60.000 deelnemers eind 2023) € 177 bedroeg, terwijl dit in de peergroep € 205 was. De gerapporteerde pensioenbeheerkosten waren in 2023 € 218 per deelnemer (peergroup € 223), dit is hoger dan het gemiddelde over de afgelopen 3 jaren en komt met name door de advieskosten Wet toekomst pensioenen. 

In de kostenbenchmark is ook gekeken naar de uitvoeringskosten in het kader van de Wet toekomst pensioenen. De kosten Wet toekomst pensioenen waren bij het fonds in 2023 € 42 per deelnemer, de kosten per deelnemer in de peergroup bedroegen € 21. De kosten in verband met de Wet toekomst pensioenen waren voor het fonds hoger dan de mediaan binnen de peergroup.

Oordeel bestuur over pensioenuitvoeringskosten per deelnemer
Het bestuur heeft conform de Aanbevelingen uitvoeringskosten (de Pensioenfederatie) beoordeeld of de pensioenbeheerkosten passend zijn in relatie tot het serviceniveau, complexiteit van het pensioenfonds en de pensioenregeling, de communicatiestrategie van het pensioenfonds en de waardeoverdrachten. Het bestuur oordeelt dat dit het geval is. 

Het bestuur vindt de uitvoeringskosten van € 206 per deelnemer acceptabel. Op basis van de vergelijking in de benchmark zijn deze kosten in lijn met die van vergelijkbare pensioenfondsen. Het bestuur is van mening dat de kosten passen bij de dienstverlening die het pensioenfonds biedt aan zijn stakeholders. De toename van de kosten ten opzichte van voorgaande jaren is verklaarbaar door onder ander projectkosten en gestegen kosten bij uitbestede partijen. Er is bij het fonds wel een stijgende lijn waarneembaar ten aanzien van de kosten. Deze toename van de kosten heeft de aandacht van het bestuur en het bestuur blijft hierop sturen. Gezien de Wet toekomst pensioenen (implementatie en transitie) zal blijft dit een belangrijk punt van aandacht. 

2.6.2 Kosten uitvoering vermogensbeheer

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de directe en de indirecte vermogensbeheerkosten gedurende 2024.

         
(bedragen x € 1.000)   Gemiddeld belegd vermogen Kosten vermogensbeheer Transactiekosten
       
2024 Totaal 1.045.047 2.610 85
  % gem. belegd vermogen   0,25% 0,01%
2023 Totaal 892.889 2.256 162
  % gem. belegd vermogen   0,25% 0,02%
2022 Totaal 1.027.529 2.417 636
  % gem. belegd vermogen   0,24% 0,06%
2021 Totaal 1.158.390 2.720 136
  % gem. belegd vermogen   0,23% 0,01%
2020 Totaal 1.062.664 2.419 210

De indirecte vermogensbeheerkosten zijn verrekend met het rendement en bestaan uit beheerskosten en transactiekosten. Indirecte beheerskosten worden berekend op basis van de Total Expense Ratio (TER) van de beleggingsfondsen.

Transactiekosten binnen beleggingsfondsen worden overeenkomstig de aanbeveling van de Pensioenfederatie geïndiceerd door de in- en uitstapkosten die door de beleggingsfondsen (impliciet) in rekening worden gebracht bij toe- en uittredende participanten.

Het pensioenfonds volgt in de presentatie van de kosten van vermogensbeheer de “aanbevelingen uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie” zoals gepubliceerd in november 2011 en de “nadere uitwerking kosten vermogensbeheer herziene versie met aanvullingen van de Pensioenfederatie” zoals gepubliceerd in februari 2016.

Het bestuur heeft conform de Aanbevelingen uitvoeringskosten (de Pensioenfederatie) beoordeeld of de vermogensbeheerkosten in relatie tot de assetallocatie en de benchmarkkosten en het rendement op lange termijn en het benchmarkrendement passend zijn. In 2024 zijn de totale kosten van het vermogensbeheer ca. 0,25% (2023: ca. 0,25%) van het gemiddeld belegd vermogen. De vermogensbeheerskosten zijn als percentage op totaalniveau gedaald. Een deel van de kosten van het bestuur en het bestuursbureau is toegerekend aan de vermogensbeheerkosten. Het gemiddeld belegd vermogen is gestegen en de transactiekosten zijn gedaald, waardoor de absolute kosten hoger uitkomen dan in 2023.

<NIEUW: Tekst over de Bell kostenbenchmark die het fonds heeft laten uitvoeren in oktober 2024> <Wil het bestuur hier een oordeel toevoegen m.b.t. de uitvoeringskosten?>

Bell Kostenbenchmark 2024
Om  de eigen kosten in perspectief te kunnen plaatsen heeft het fonds in oktober 2024 een kostenbenchmark laten uitvoeren door Bell Pension Consultants & Actuaries (Rapport Werk in uitvoering 2024, publicatie 10 oktober 2024). Deze kostenbenchmark geeft inzicht in de in 2023 gemaakte uitvoeringskosten in relatie tot pensioenfondsen van gelijke omvang. Hieruit blijkt dat het gemiddelde van de vermogensbeheerkosten in de periode 2021-2023 (peergroup 100 pensioenfondsen met pensioenvermogen tot € 1.500 miljoen) 0,24% bedroeg, terwijl dit in de peergroep 0,33% was. De gemiddelde transactiekosten waren in de periode 2021-2023 0,03% van het gemiddeld belegd vermogen, voor de peergroup was dat 0,08%. De totale vermogensbeheerkosten waren in 2023 0,27%, terwijl die in de peergroup 0,41% (mediaan) bedroegen. De vermogensbeheerkosten van het fonds zijn lager dan de mediaan binnen de peergroup. 

Look-through
(bedragen x € 1.000)
Beheerkosten Beheerkosten Transactiekosten incl. aan- verkoopkosten Transactiekosten incl. aan- verkoopkosten Totaal Totaal
2024 2023 2024 2023 2024 2023
             
Kosten per beleggingscategorie            
Vastgoed  7   7   -   2   7   9 
Aandelen  245   212   -   57   245   268 
Vastrentende waarden  1.557   1.290   6   103   1.563   1.394 
Overige beleggingen  -   -   -   -   -   - 
Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën excl. overlay  1.809   1.509   6   162   1.815   1.671 
Kosten overlay beleggingen  -   61   79     79   61 
Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën incl. overlay  1.809   1.570   85   162   1.894   1.732 
             
Kosten vermogensbeheer pensioenfonds en Bestuursondersteuning  335   219       335   219 
Kosten fiduciair beheer            
Bewaarloon  64   62       64   62 
Advieskosten vermogensbeheer  197   120       197   120 
Overige kosten  204   285       204   285 
Totaal overige vermogensbeheerkosten  800   686       800   686 
             
Totaal kosten vermogensbeheer  2.610   2.256   85   162   2.695   2.418 

Toelichting per categorie:

  • Het pensioenfonds belegt niet in vastgoed als aparte categorie. De categorie vastgoed in bovenstaande tabel betreft beursgenoteerde vastgoedaandelen binnen de aandelenfondsen. De kosten van deze beleggingsfondsen in aandelen zijn (op basis van “lookthrough”) evenredig aan de categorie vastgoed toegerekend.
  • De beheerkosten voor aandelen (BlackRock) zijn in lijn met de ontwikkeling van de portefeuille (de omvang van het vermogen is gestegen). BlackRock brengt bij het pensioenfonds een management fee (voor de B-funds) en een base fee (voor de CCF) in rekening. Naast deze kosten worden ook kosten binnen de beleggingsfondsen ingehouden (ten koste van het rendement). Een bedrag van €245 duizend is voor 2024 (2023: € 178 duizend) direct in rekening gebracht bij het pensioenfonds.  
  • De beheerkosten voor vastrentende waarden (Cardano, BlackRock, ASR, Aegon en SARE&F) zijn gestegen door de gestegen omvang van de beleggingen. Cardano rekent kosten voor het LDI mandaat en het FX overlay mandaat. Deze kosten zijn direct bij het pensioenfonds in rekening gebracht. De beheervergoeding van ASR is deels (€46 duizend; 2023: €39 duizend) direct bij het pensioenfonds in rekening gebracht. De vergoedingen van Aegon, Achmea, en de geldmarktfondsen binnen het mandaat voor de matchingportefeuille van Cardano (van BlackRock, DWS en JP Morgan) zijn binnen de beleggingsfondsen in rekening gebracht. 
  • Als transactiekosten zijn opgenomen de kosten voor aankoop van beleggingen door het pensioenfonds (zoals acquisitiekosten, in- en uitstapvergoedingen van beleggingsfondsen of bijv. aandelen in een discretionair mandaat). Aan- en verkoopkosten zijn de directe aan- en verkoopkosten van beleggingstitels binnen een beleggingsfonds (waarbij evt. in en uitstapvergoedingen worden verrekend). Conform de aanbeveling Pensioenfederatie wordt voor alle categorieën waarbij in een fonds wordt belegd een volledige lookthrough van transactiekosten toegepast. Bij lookthrough is een correctie gemaakt voor de in- en uitstapvergoedingen bij beleggingsfondsen, door het pro rata deel van deze opbrengsten te verdisconteren met de in- en uitstapvergoedingen die door het pensioenfonds zijn betaald. Daarnaast is het pro rata deel van de transactiekosten in een beleggingsfonds aan het pensioenfonds toegerekend.  
  • De kosten vermogensbeheer pensioenfonds en bestuursondersteuning zijn toegerekende kosten o.b.v. urenbesteding. De omvang daarvan is deels gebaseerd op een inschatting (tijdsevenredige verdeling). Voor 2024 komt de “allocatie aan vermogensbeheer” uit op 20% van de bestuurskosten en 15% van de kosten bestuursondersteuning.  
  • De advieskosten betreffen kosten van Cardano, kosten van de extern adviseur van de beleggingsadviescommissie en advieskosten voor de begeleiding van de marktverkenning van de custodian. Deze kosten zijn direct bij het pensioenfonds in rekening gebracht.    
  • De post overige kosten bevat kosten voor aanvullende dienstverlening (zoals rapportages, bankdiensten, custody services, administratie) door CACEIS en worden direct bij het pensioenfonds in rekening gebracht. In de overige kosten zitten ook kosten die Cardano rekent voor het Rebalancing mandaat. Dit betreft het monitoren en bijsturen van de gehele balans naar strategische gewichten. Daarnaast zijn clearingkosten in de overige kosten meegenomen.

2.6.3 Beleggingsrendement, risico’s en kosten

Het beleggen en beheersen van risico’s brengt kosten met zich mee. Bij beleggingsbeslissingen, zoals  het selecteren van beleggingscategorieën en vermogensbeheerders, worden kosten nadrukkelijk betrokken. De kosten van het vermogensbeheer worden jaarlijks geëvalueerd, zowel als geheel als bij de evaluatie van uitbestedingspartijen. Waar nodig worden acties in gang gezet.

In onderstaande grafiek worden de beleggingsrendementen en de kosten over de afgelopen vijf jaar getoond.

Versie: v8.2.22

Software voor digital-first corporate reporting

Creëer op efficiënte wijze publicaties die impact maken

Met iwink.report maak je publicaties op een eenvoudige en efficiënte manier. Je bespaart tijd, fouten en stress. Vanuit één plek publiceer je naar een volwaardige webversie, PDF en iXBRL-bestand. Zo geef je lezers de best mogelijke ervaring.

Meer over iwink.report