2. Financieel beleid
Het pensioenfonds is een ‘eigen beheer’ fonds. In dit hoofdstuk volgt een opsomming van:
- Premiebeleid (2.1)
- Beleggingsbeleid (2.2)
- Ontwikkelingen dekkingsgraad (2.3)
- Toeslagenbeleid (2.4)
- Kortingenbeleid (2.5)
- Uitvoeringskosten (2.6)
2.1 Premiebeleid
Premiebeleid
De financiering van de op basis van het pensioenreglement vast te stellen pensioenaanspraken gebeurt door betaling van een doorsneepremie. Voor de periode vanaf 1 januari 2020 tot en met 31 december 2024 is dit percentage door cao-partijen vastgesteld op 21,8%.
Het fonds beoordeelt of en in hoeverre de door cao-partijen overeengekomen premie en door werkgevers verschuldigde premie toereikend is voor de inkoop van de reglementaire aanspraken op pensioen en dekking van de benodigde opslagen. Indien in enig jaar de kostendekkende premie hoger blijkt te zijn dan de premie op basis van het overeengekomen premiepercentage, wordt de inkoop van aanspraken op pensioen zodanig naar beneden bijgesteld dat de door het fonds te ontvangen premie gelijk is aan de kostendekkende premie die het fonds hanteert. Indien de kostendekkende premie lager blijkt te zijn dan de premie op basis van het overeengekomen premiepercentage, wordt de inkoop van aanspraken op pensioen zodanig naar boven bijgesteld dat de door het fonds te ontvangen premie gelijk is aan de kostendekkende premie die het fonds hanteert. Indien een situatie als beschreven aan de orde is, treden partijen en het fonds tijdig met elkaar in overleg over het vraagstuk van evenwichtige belangenafweging.
Premiecomponenten
De premie wordt vastgesteld op basis van de onderstaande uitgangspunten:
- De samenstelling van het deelnemersbestand.
- De regeling.
- De verwachte inflatie.
- Het verwacht rendement.
Overlevingsgrondslagen
Deze grondslagen zijn in 2022 gewijzigd. Het bestuur heeft besloten over te gaan naar de Prognosetafels AG2022. De ervaringssterftecorrectie wordt tweejaarlijks beoordeeld gelijktijdig met de nieuwe publicatie van de AG prognosetafels, waarbij het bestuur een besluit neemt om wel of geen aanpassing te doen.
De verwachte inflatie
Sinds 2020 zijn nieuwe maximale parameters voor het verwacht rendement van kracht, zoals deze door de Commissie Parameters in 2019 zijn bekend gemaakt. Deze parameters zijn voor de premie 2021 voor het eerst van toepassing. Op basis van deze parameters geldt een verwachte prijsinflatie op lange termijn van 1,9%. Het fonds maakt gebruik van het ingroeipad zoals gepubliceerd door DNB per 1 oktober 2020. Dit betekent dat in het eerste jaar een inflatiecijfer van 1,6% geldt dat vervolgens in vijf jaren gelijkmatig toegroeit naar 1,9%. Het bestuur heeft dit ingroeipad vastgesteld voor dezelfde periode als het rendement op vastrentende waarden vaststaat. De hoge inflatie van 2022 heeft daardoor geen impact op de premiestelling.
Het verwacht rendement en te hanteren peildatum
Het bestuur heeft op 12 december 2019 het verwacht rendement voor vastrentende waarden vastgesteld voor een periode van vijf jaar met als peilmoment 30 november 2019. Het bestuur heeft voorafgaand aan de besluitvorming het verantwoordingsorgaan om advies gevraagd over de feitelijke premie en de premiecomponenten voor 2022. Het verantwoordingsorgaan heeft een positief advies gegeven. De sleutelfunctiehouder actuarieel is akkoord gegaan met premiestelling 2023.
Premiemaatregelen tijdens Corona
In 2022 is er geen aanleiding geweest om af te wijken van het reguliere incassobeleid.
2.2 Beleggingsbeleid
Teneinde de beoogde pensioenuitkeringen op korte en lange termijn te realiseren belegt het bestuur de toevertrouwde middelen op een verantwoorde en solide wijze. Het pensioenfonds hanteert hiervoor een meerjarig strategisch beleggingsplan dat jaarlijks wordt vertaald in een jaarplan beleggingen. Een ALM-studie in combinatie met scenario-analyses ligt ten grondslag aan het strategisch beleggingsbeleid van het pensioenfonds.
Met behulp van beleggingsovertuigingen, bijlage 3 van dit jaarverslag, formuleert het pensioenfonds onder andere een kader hoe het omgaat met financiële markten en beleggingen. Goed opgestelde overtuigingen vormen een visie op de werking van financiële markten en de manier waarop het pensioenfonds hierin acteert om de doelstellingen te behalen. De overtuigingen geven daarmee een kader voor het bestuur om nieuwe beleggingsmogelijkheden te beoordelen, zijn een ijkpunt voor het bestuur en maken een duidelijkere verantwoording naar de deelnemers, toezichthouder en andere stakeholders mogelijk. De beleggingsovertuigingen zijn opgenomen in het strategisch beleggingsplan 2022-2024.
Het beleggingsbeleid van het pensioenfonds is opgesplitst in een matchingportefeuille en een returnportefeuille.
- Het primaire doel van de matchingportefeuille is het nakomen van een deel van de nominale pensioentoezeggingen middels staatsobligaties, renteswaps en liquide middelen.
- De returnportefeuille of rendementsportefeuille heeft primair tot doel het realiseren van een overrendement ten opzichte van de verplichtingen ter financiering van het toeslagenbeleid. Dit gebeurt middels aandelen, bedrijfsobligaties, asset-backed securities en hypotheken.
In 2021 heeft bestuur een ALM-studie uitgevoerd. In vervolg op de ALM-studie heeft in 2022 een evaluatie van het valutabeleid plaatsgevonden. Op basis van deze evaluatie is besloten om het valutabeleid ongewijzigd voort te zetten. Verder is in vervolg op de ALM-studie nader onderzoek gedaan naar de dynamische staffel voor de afdekking van het renterisico. Het bestuur heeft hierbij besloten om de staffel af te toppen op 76% bij een niveau van de 30-jaars swaprente op 2,5%. Deze aftopping is ingegeven door de operationele uitvoerbaarheid van een hogere renteafdekking (zoals hogere transactiekosten door frequenter handelen en beheersing liquiditeitsrisico), in combinatie met het feit dat hypotheken, bedrijfsobligaties en asset-backed securities niet worden meegenomen in de vaststelling van de afdekking van het renterisico maar het renterisico wel verlagen.
In 2022 heeft verder een evaluatie van het securities lending beleid plaatsgevonden. Het securities lending beleid wordt ongewijzigd voortgezet. Ook heeft het bestuur het MVB-beleid behandeld en hier onder andere een studiedag over georganiseerd. In 2023 wordt hier verder opvolging aan gegeven.
Mede op basis van de evaluatie van de dienstverlening door de custodian, heeft het bestuur medio 2022 besloten tot het uitvoeren van een marktverkenning naar een custodian. Deze marktverkenning is gestart in het vierde kwartaal en wordt afgerond in het eerste kwartaal van 2023.
In 2022 is gestart met het in kaart brengen van de gevolgen van het nieuwe pensioencontract op het beleggingsbeleid. Hierbij is onder andere gekeken naar de pijngrensmethodiek die Recreatie hanteert voor de risicohouding en is gestart met het uitvoeren van een ALM-studie voor de nieuwe pensioenregeling. Deze activiteiten worden in 2023 voortgezet.
2.2.1 Overzicht beleggingen
Het pensioenfonds belegt eind 2022 strategisch 28,5% van het vermogen in een wereldwijd gespreide portefeuille van aandelen, 20% van het vermogen in Nederlandse woninghypotheken, 7% in Europese bedrijfsobligaties en 7% in Asset-Backed securities (ABS). De overige 37,5% wordt belegd in de matchingportefeuille, die tot doel heeft om het renterisico van de verplichtingen gedeeltelijk af te dekken.
Beleggingscategorie | Strategische weging eind 2022 | Feitelijke weging eind 2022 |
---|---|---|
Matchingportefeuille | ||
Vastrentende waarden (staatsobligaties, renteswaps en kasgeld) | 37,5% | 36,3% |
Returnportefeuille | 62,5% | 63,7% |
Aandelen | 28,5% | 27,6% |
Ontwikkelde markten | 22,2% | 21,5% |
Opkomende markten | 2,3% | 2,2% |
Small Cap EAFE | 2,0% | 2,0% |
Small Cap US | 2,0% | 1,9% |
Bedrijfsobligaties | 7,0% | 6,2% |
Asset-backed securities | 7,0% | 6,2% |
Hypotheken | 20,0% | 23,6% |
Totaal | 100,0% | 100,0% |
Rente-afdekking (marktrente) | 76% | 75% |
Valuta-afdekking USD | 75% | 78% |
De feitelijke assetallocatie kan binnen de onderstaande bandbreedtes afwijken van de strategische allocatie. Het allocatiebeleid van het pensioenfonds is passief, de bandbreedtes zijn niet bedoeld om invulling te geven aan actief allocatiebeleid. Maandelijks wordt de feitelijke allocatie gemonitord en bijgestuurd. Begin november 2022 heeft een herbalancering van de beleggingsportefeuille plaatsgevonden vanwege het overschrijden van de bandbreedte waarbinnen de verhouding matching- en returnportefeuille zich moet bevinden en ter verbetering van de liquiditeitspositie.
Categorie | Strategische mix | Minimum | Maximum |
---|---|---|---|
Matchingportefeuille | 37,5% | 27,5% | 47,5% |
Aandelen | 28,5% | 18,5% | 38,5% |
Bedrijfsobligaties | 7% | 4% | 10% |
Asset-backed securities | 7% | 4% | 10% |
Hypotheken | 20% | 15% | 25% |
2.2.2 Beheersing renterisico
Het pensioenfonds hanteert dynamiek in de renteafdekking. Bij een lage rente geldt een lagere renteafdekking en bij een hoge rente wordt een hogere renteafdekking toegepast. De opbouw in de renteafdekking bij een stijgende rente komt tegemoet aan de doelstelling van het pensioenfonds om de nominale rechten te beschermen. Tegelijkertijd kan bij een lage rente de rente een bron van rendement zijn. De dekkingsgraad profiteert dan van een eventuele rentestijging. De dynamische renteafdekking van het pensioenfonds is bij een fluctuerende rente een bron van rendement, omdat de strategie zo is ontworpen dat wordt geprofiteerd bij volatiele rentes. Het renteniveau bij opbouw van de renteafdekking is hoger dan het renteniveau bij afbouw.
Het pensioenfonds hanteert het volgende dynamische beleid ten aanzien van het renterisico.
Het pensioenfonds hanteert het volgende dynamische beleid ten aanzien van het renterisico.
30-jaars rente | 0,5% | 1,0% | 1,5% | 2,0% | 2,5% |
---|---|---|---|---|---|
Rente-afdekking | 44% | 52% | 60% | 68% | 76% |
De rentestaffel is afgetopt bij 76% afdekking bij een renteniveau voor de 30-jaars rente van 2,5%.
Per 31 december 2022 bevindt de 30-jaars rente zich boven de 2,5%. De huidige strategische renteafdekking bedraagt 76%. Indien de rente daalt onder de grens (trigger) van 2,0% wordt de strategische renteafdekking aangepast. Ook de triggers worden op dat moment aangepast naar de omliggende niveaus. Ter illustratie: na het raken van de trigger op 2,0% liggen de nieuwe triggers op 1,5% en 2,5%. In 2022 is meerdere keren een trigger geraakt. Hierbij is de renteafdekking zowel verhoogd als verlaagd. Per saldo is de renteafdekking over 2022 verhoogd van 44% aan het begin van het jaar naar 76% per ultimo 2022.
Het pensioenfonds houdt in de renteafdekking niet alleen rekening met de huidige verplichtingen maar ook met de opbouw van nieuwe pensioenverplichtingen. Doordat het premiepercentage voor toekomstige verplichtingen voor een bepaalde periode vaststaat, vertegenwoordigt de verwachte opbouw een economisch renterisico voor het pensioenfonds. In de berekening van het renterisico per eind 2022 wordt rekening gehouden met de nieuwe opbouw tot en met eind 2023.
2.2.3 Maatschappelijk verantwoord beleggen
Sinds 2013 moeten pensioenfondsen wettelijk investeringen vermijden in bedrijven die te maken hebben met de productie, verkoop of distributie van clustermunitie, maar ook in beleggingsinstellingen en indexen waar clustermunitie-ondernemingen voor meer dan 5% deel van uitmaken. Ook dienen fondsen investeringen te vermijden wanneer sprake is van plaatsing van een onderneming op een zwarte lijst of van sanctiemaatregelen, zoals tegen Rusland en Syrië.
Door de keuze voor (bij voorkeur passieve) beleggingsfondsen heeft het pensioenfonds geen rechtstreekse invloed op de keuze in welke ondernemingen wordt belegd. Immers, het pensioenfonds belegt in beleggingsfondsen waarbij individuele selectie van ondernemingen niet mogelijk is. Het pensioenfonds heeft haar beleggingen getoetst aan bovenstaande wet- en regelgeving. Uit die toetsing bleek dat er relatief zeer kleine bedragen worden belegd in ondernemingen die te maken hebben met clustermunitie. Het bestuur realiseert zich dat dit onwenselijk is en bespreekt jaarlijks tijdens de invulling van het jaarplan beleggingen haar mogelijkheden.
Pensioenfonds Recreatie heeft beleid voor maatschappelijk verantwoord beleggen.
Voor de uitbestedingspartijen vereist het pensioenfonds een duurzame en maatschappelijk verantwoorde bedrijfsvoering (aantoonbaar door een UN PRI of soortgelijke verklaring). Voor alle vermogensbeheerders geldt dat deze de UN PRI hebben ondertekend.
In 2022 is in vervolg op de evaluatie van het MVB-beleid in 2021, onder andere aan de hand van een studiedag, door het bestuur gesproken over de wijze waarop het nader invulling wil geven aan het MVB-beleid, onder andere met betrekking tot klimaat en de wijze waarop MVB-instrumenten worden ingezet in de beleggingsportefeuille en de classificatie van de pensioenregeling onder SFDR. Dit wordt verder opgevolgd in 2023.
2.2.4 Sustainable Finance Disclosure Regulation (SFDR) en EU-criteria
Pensioenfonds Recreatie classificeert de pensioenregeling als een regeling die geen ecologische of sociale kenmerken promoot (artikel 6 van de Informatieverschaffingsverordening), omdat het duurzaamheidsaspect geen primaire doelstelling is van het fonds. Pensioenfonds Recreatie stelt de deelnemers centraal en Pensioenfonds Recreatie zorgt ervoor dat het pensioen op een goede en kostenefficiënte manier geadministreerd wordt en deelnemers op tijd het pensioen uitbetaald krijgen.
Om hoge (onvoorziene) kosten van extra rapportages te voorkomen is voor de huidige kwalificatie gekozen. Bovendien biedt de wetgeving kleinere entiteiten met minder dan 500 werknemers de mogelijkheid om op een minder uitgebreid niveau te rapporteren over de duurzaamheidsfactoren die Pensioenfonds Recreatie meeweegt (opt-out artikel 4 van de Informatieverschaffingsverordening).
Pensioenfonds Recreatie houdt zich aan Verordening (EU) 2019/2088 van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiële dienstensector (SFDR). Het beloningsbeleid van Pensioenfonds Recreatie zet niet aan tot het nemen van buitensporige risico’s in verband met duurzaamheidsrisico’s. Een op grond van het beloningsbeleid toegekende beloning is niet afhankelijk van het al dan niet nemen van duurzaamheidsrisico’s.
De onderliggende beleggingen van dit financiële product houden geen rekening met de EU-criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten.
2.2.5 Prudent person
Met de invoering van het nieuwe FTK per 2015 is expliciet in de regelgeving opgenomen dat het pensioenfonds onderbouwt dat het strategisch beleggingsbeleid en het beleggingsplan passen binnen de prudent person regel. Het pensioenfonds heeft ten behoeve van de prudent person toets door de certificerend actuaris een vragenlijst ingevuld. Deze vragenlijst is een self-assessment waarmee het pensioenfonds de onderbouwing vastlegt. Het pensioenfonds is van mening dat het voldoet aan de prudent person regel. De belangrijkste uitgangspunten voor toepassing van het prudent beginsel zijn vastgelegd in wet- en regelgeving. In bijlage 7 is een samenvatting van de onderbouwing opgenomen.
2.2.6 Terugblik resultaat 2022
Het beleggingsjaar 2022 bracht een negatieve ontwikkeling voor alle categorieën, met name voor de matchingportefeuille. Gedurende het jaar is de rentecurve voor de 30-jaars rente gestegen van circa 0,48% aan het begin van het jaar naar circa 2,58% aan het einde van het jaar.
De volgende tabel toont het beleggingsresultaat van het pensioenfonds in 2022. De indirecte vermogensbeheerkosten (binnen de beleggingsfondsen) zijn verrekend met het rendement en bestaan uit beheerskosten en transactiekosten. De directe vermogensbeheerkosten zijn niet verrekend met het rendement.
Beleggingscategorie | Rendement Portefeuille | Rendement Benchmark | Benchmark |
---|---|---|---|
Matchingportefeuille | |||
Vastrentende waarden (staatsobligaties, renteswaps en kasgeld) | -60,7% | -60,7% | |
Returnportefeuille | -13,4% | -12,9% | |
Aandelen | |||
Ontwikkelde landen | -14,1% | -14,2% | MSCI World ex. Controversies |
Opkomende Landen | -14,9% | -14,9% | MSCI Emerging Markets |
Small Cap EAFE | -16,0% | -16,2% | MSCI EAFE Small Cap |
Small Cap US | -11,0% | -12,2% | MSCI USA Small Cap |
Bedrijfsobligaties | -14,0% | -14,2% | iBoxx EUR Corporates |
Asset-backed securities | -3,6% | -1,3% | Barclays ABS FR Euro & Barc Capital ABS FR Euro |
Hypotheken | -16,1% | -15,6% | Barclays Cust. PHF Swap Index |
Totaal (exclusief valutahedge) | -29,9% | -29,6% | |
Totaal (inclusief valutahedge) | -31,1% | -30,8% |
Voor het benchmarkrendement van de matchingportefeuille geldt dat deze gelijkgesteld is aan het feitelijke rendement. In 2022 heeft de portefeuille een underperformance ten opzichte van de benchmark gehaald, met name door de categorieën asset backed securities en hypotheken. In de paragrafen hieronder is een toelichting per categorie opgenomen.
Toelichting rendement matchingportefeuille
De matchingportefeuille heeft tot doel om het renterisico op de verplichtingen gedeeltelijk af te dekken. Onderstaande grafiek toont het verloop van de 30-jaars rente in 2022 en de daarbij horende trigger voor de aanpassing van de strategische rentafdekking die bij het huidige renteniveau op 1% ligt.
De 30-jaars rente is in 2022 gestegen, van 0,48% aan het begin van het jaar naar 2,5% aan het einde van het jaar. Door de rentestijging daalden de verplichtingen in waarde, en was eveneens het rendement op de matchingportefeuille negatief.
Gedurende het gehele jaar 2022 is op diverse momenten een trigger (op basis van de 30-jaars rente) geraakt, waarna de renteafdekking zowel is verhoogd als verlaagd. Over het hele jaar gezien is de renteafdekking per saldo verhoogd van 44% naar 76%.
Effectiviteit renteafdekking
Maandelijks wordt de actuele (ex-ante) renteafdekking gemonitord. Eenmaal per kwartaal wordt over de gerealiseerde (ex-post) renteafdekking gerapporteerd. Ontwikkelingen in de spread en overige factoren kunnen ervoor zorgen dat de gerealiseerde afdekking afwijkt van de strategische afdekking. Dit is met name het geval als de rentebewegingen klein zijn.
2022 | |
---|---|
Resultaat verplichtingen (EUR mln) | -497,5 |
Resultaat matchingportefeuille (EUR mln) | -257,8 |
Strategische renteafdekking | 44%-76% |
Gerealiseerde renteafdekking* | 52% |
De gerealiseerde renteafdekking in 2022 van 51,8% was lager dan de strategische renteafdekking, maar conform verwachting. De lagere effectiviteit werd veroorzaakt doordat de renteafdekking conform de dynamische staffel op meerdere momenten in het jaar is aangepast, waarbij de renteafdekking bij een rentedaling relatief hoger was dan bij een rentestijging. Doordat er gedurende het jaar gemiddeld sprake is van een rentestijging heeft de lagere effectiviteit tot een positief resultaat op de dekkingsgraad geleid.
Attributie resultaat matchingportefeuille
Het resultaat van de matchingportefeuille kan worden verdeeld in drie componenten: renteontwikkelingen, spreadontwikkelingen (de spread is het verschil tussen de rente op swaps en staatsobligaties) en overige componenten.
Resultaat Matchingportefeuille | Matchingportefeuille | Verplichtingen |
---|---|---|
(EUR mln.) | ||
Totaal | -257,8 | -497,5 |
Rente | -249,6 | -497,5 |
Spread | -7,4 | 0 |
Overig | -0,8 | 0 |
Rente
Het renterisico wordt gevormd door de huidige verplichtingen en de verwachte opbouw van verplichting waarvan de premie vastligt. Het resultaat op de verplichtingen wordt berekend middels de swaprente. De matchingportefeuille heeft tot doel een deel van het renterisico af te dekken. Dit gebeurt door middel van vastrentende waarden zoals swaps, staats(gerelateerde)obligaties en kasgeld.
Spread
De rente op staatsobligaties kent een op- of afslag ten opzichte van de swaprente. Een verandering van deze opslag levert een resultaat op. In 2022 was dit resultaat -7,4 EUR mln. In 2022 is de inzet van het spreadrisicobudget geleidelijk verhoogd, door de aankoop van langlopende staatsobligaties.
Overig
Het overige resultaat komt onder meer doordat de korte rente die wordt betaald op swaps niet gelijk is aan de rente die ontvangen wordt op kasgeld en kortlopende staatsobligaties. In 2022 was dit resultaat -0,8 EUR mln.
Toelichting rendementen returnportefeuille
Aandelen (28,5% van het vermogen)
Het pensioenfonds belegt op een passieve wijze in een wereldwijd gespreide aandelenportefeuille. Het behaalde rendement op de aandelenportefeuille was -14,0%. Dit is vergelijkbaar met het benchmarkrendement.
De getoonde cijfers voor aandelen zijn exclusief het effect van de valuta-afdekking.
Bedrijfsobligaties (7% van het vermogen)
Het rendement van het bedrijfsobligatiefonds over het gehele jaar bedroeg -14,0%. Dit is 0,2%-punt hoger dan het benchmarkrendement. Het fonds belegt in obligaties met een hoge kredietwaardigheid volgens een “enhanced indexing” strategie waarbij beperkt kan worden afgeweken van de benchmark. Met name door de stijging van de rente was het rendement negatief.
Asset-backed securities (ABS) (7% van het vermogen)
Het ABS-fonds belegt actief in asset-backed securities met een hoge kredietwaardigheid, genoteerd in euro en gespreid over verschillende uitgevers, onderpanden, sectoren en landen. Het rendement was -3,6% in de belegde periode, 2,3%-punt lager dan het benchmarkrendement.
Hypotheken (20% van het vermogen)
Het hypothekenfonds behaalde een rendement van -16,1%. Dit is 0,5%-punt lager dan het benchmarkrendement. Het onderrendement werd met name veroorzaakt door een daling van de kredietopslag in de rente die gebruikt wordt voor de waardering van de hypotheekportefeuille ten opzichte van de risicovrije rente. Voor deze categorie is geen goed passende benchmark beschikbaar. De benchmark is gebaseerd op de risicovrije rente. Voor de waardering van de portefeuille wordt een gemiddelde hypotheekrente gebruikt. Doordat de risicovrije rente relatief minder gestegen is ten opzichte van de rente die gebruikt wordt om de hypothekenportefeuille te waarderen, heeft de benchmark beter gepresteerd dan de portefeuille.
Toelichting valuta-afdekking
Valutarisico wordt vanuit de beleggingsovertuigingen niet als bron van rendement gezien. Het beleid van het pensioenfonds is om deze risico’s af te dekken indien er sprake is van een materiële blootstelling. Een volledige afdekking is niet optimaal omdat er sprake is van samenhang tussen de valutakoers en het aandeel. Dit komt mede doordat een aandeel dat in dollars genoteerd is ook inkomsten uit andere regio’s zoals het Eurogebied heeft. De strategische valuta-afdekking is bepaald op 75% voor uitsluitend de US dollar. Eind 2022 is dit nog steeds de enige materiële positie in vreemde valuta.
Munteenheid | Blootstelling Q4 2021 | Blootstelling | Strategische |
---|---|---|---|
(in EUR mln) | (% balans) | Afdekking | |
Amerikaanse Dollar | 143 | 16,5% | 75% (+/- 10%) |
Britse Pond | 10 | 1,2% | 0% |
Japanse Yen | 16 | 1,8% | 0% |
Zwitserse Franc | 7 | 0,8% | 0% |
Australische Dollar | 5 | 0,6% | 0% |
Bovenstaande grafiek toont de valutablootstelling en de valuta-afdekking (in EUR mln.) op het einde van iedere kalendermaand. De indicatiestrepen geven de gewenste afdekking (75% - paars) en de bandbreedte (65% tot 85% - blauw) aan. Doordat de valutadoorrol midden in de maand plaatsvindt kan de afdekking einde maand afwijken van de strategische afdekking. Te zien is dat de afwijking beperkt is en binnen de bandbreedte valt. Eind 2022 bedroeg de feitelijke afdekking 78%.
Z-score en performancetoets
Het pensioenfonds is een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds. Wanneer de beleggingsperformance van het pensioenfonds onder een door de wetgever bepaalde grens valt, moet het pensioenfonds, op basis van het vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000, vrijstelling verlenen van de verplichtstelling wanneer een onderneming daarom verzoekt. De pensioenregeling moet wel gelijkwaardig zijn aan die van het pensioenfonds.
Om te bepalen of de beleggingsperformance van het pensioenfonds boven een bepaalde grens ligt, wordt het feitelijke beleggingsrendement vergeleken met het rendement van een door het pensioenfonds vastgestelde normportefeuille. Dit wordt gedaan door jaarlijks de Z-score van het pensioenfonds te bepalen. Hierbij wordt het rendement (de performance) van het pensioenfonds en het rendement van de benchmark vergeleken, en het verschil gedeeld door een factor die afhankelijk is van de samenstelling van het belegde vermogen (de verhouding obligaties/aandelen). Voor het bepalen van de ongecorrigeerde performancetoets worden de Z-scores over een periode van 5 jaar opgeteld en gedeeld door de wortel van vijf. Volgens het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 dient bij deze ongecorrigeerde performancetoets 1,28 opgeteld te worden. De uitkomst van deze gecorrigeerde performancetoets moet positief zijn. Meer informatie over de berekening van de Z-score en de performancetoets is te vinden in het Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf 2000.
De uitkomst van de Performancetoets over 2022 is positief. Ondernemingen kunnen niet verzoeken om vrijstelling op basis van deze toets.
Ongecorrigeerde | Gecorrigeerde | ||
---|---|---|---|
Jaar | Z-score | Performancetoets (5 jaar) | Performancetoets (5 jaar) |
2022 | -0,21 | 0,24 | 1,52 |
2021 | 2,04 | 0,3 | 1,58 |
2020 | -0,75 | 0,76 | 2,04 |
2019 | -0,43 | 0,8 | 2,08 |
2018 | -0,11 | 1,33 | 2,61 |
2.3 Ontwikkeling dekkingsgraad
De dekkingsgraad wordt berekend door het vermogen te delen door de verplichtingen van het pensioenfonds:
- De verplichtingen worden vastgesteld op basis van de rente die DNB voorschrijft.
- Het vermogen wordt vastgesteld op basis van actuele marktwaarde. Wanneer de rente stijgt of daalt werkt dit meteen door in de waarde van de beleggingen.
Het verloop van de dekkingsgraad laat zien welke componenten in 2022 de meeste invloed hebben gehad op de ontwikkeling van de dekkingsgraad. De dekkingsgraad heeft zich gedurende het jaar als volgt ontwikkeld:
% | 2022 | 2021 |
---|---|---|
Actuele dekkingsgraad primo jaar | 105,2 | 97,9 |
Resultaat op beleggingen | -32,5 | 1,1 |
Resultaat a.g.v. wijziging rts | 58,3 | 7,5 |
Resultaat op premie | -0,6 | -0,8 |
Resultaat op waardeoverdrachten | 0,0 | 0 |
Resultaat op kosten | -0,1 | 0 |
Resultaat op uitkeringen | 0,0 | 0 |
Resultaat op kanssystemen (arbeidsongeschiktheid en sterfte) | 0,0 | -0,3 |
Resultaat op toeslagverlening | 0,0 | 0 |
Resultaat op wijziging actuariële grondslagen | -0,5 | 0 |
Resultaat op overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen | -0,6 | 0,1 |
Resultaat op andere oorzaken en kruiseffecten [7] | -18,8 | -0,3 |
Actuele dekkingsgraad ultimo boekjaar | 110,4 | 105,2 |
In 2022 is de dekkingsgraad gestegen van 105,2% ultimo 2020 naar 110,4% aan het eind van 2022. De beleidsdekkingsgraad is gestegen van 101,8% naar 107,4%. Het verloop van de dekkingsgraad is in de onderstaande grafiek weergegeven. De dekkingsgraad van het pensioenfonds zit het gehele jaar onder de minimaal vereiste dekkingsgraad (MVEV) van 104,4%. De vereiste dekkingsgraad is eind 2022 113,6%.
2.3.1 Ontwikkeling resultaat en technische voorziening
Ontwikkeling van de technische voorziening:
Bedragen x € 1.000 | 2022 | 2021 |
---|---|---|
1.161.487 | 1.193.703 | |
Pensioenopbouw | 65.341 | 64.430 |
Rentetoevoeging | -5.736 | -6.501 |
Onttrekking voor pensioenuitkeringen en uitvoeringskosten | -9.924 | -7.289 |
Wijziging marktrente | -414.669 | -84.666 |
Wijziging uit hoofde van overdracht van rechten | -5.693 | 121 |
Wijziging actuariële grondslagen | 12.712 | 0 |
Overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen | -464 | -1.624 |
Overige mutaties | -448 | 3.313 |
Totaal technische voorziening | 802.605 | 1.161.487 |
Het totaal saldo van baten en lasten betreft tevens de stand zoals deze ultimo 2022 toegevoegd is aan het eigen vermogen zoals deze in de jaarrekening is gepresenteerd. In 2022 zijn de volgende belangrijke effecten op actuarieel resultaat te onderscheiden:
Beleggingen
Het rendement op de beleggingen (-31,1%) draagt in 2022 negatief bij aan de ontwikkeling van de dekkingsgraad. De benodigde interest over boekjaar 2022 wordt bepaald aan de hand van de 1-jaars rente uit de curve van 31-12-2021, -0,486%.
Wijziging rentetermijnstructuur (RTS)
De RTS ultimo 2022 ligt ruim boven de RTS ultimo 2021 en zorgt daarmee voor een daling van de technische voorziening. Dit levert een positieve bijdrage aan het resultaat.
Premie
Het resultaat op premie wordt vastgesteld door de totaal ontvangen premie af te zetten tegen de actuarieel benodigde premie. Per saldo is het resultaat op premie minder negatief dan in 2021.
Toeslagverlening
Het Bestuur heeft op basis van de financiële positie moeten besluiten om in 2022 geen (voorwaardelijke) toeslag te verlenen.
Resultaat op kosten
Het bestuur heeft besloten de kosten voor de Wet Toekomst Pensioenen (WTP) niet ten laste van de premie te laten komen. Het resultaat op kosten in 2022 bedraagt daardoor -370.
Wijziging actuariële grondslagen
Het resultaat bedraagt -12.712. Een aanpassing van de actuariële grondslagen of methoden in het verslagjaar leidt tot nieuwe eisen ten aanzien van de prudentie van de grondslagen. Indien de grondslagen wijzigen (bijvoorbeeld als gevolg van aanpassing van de sterftegrondslagen) wordt dit resultaat hier vermeld.
Het pensioenfonds heeft in 2022 de volgende grondslagen gewijzigd:
- Invoering Prognosetafel AG2022 (resultaat: -7.754);
- Aanpassen fond specifieke ervaringssterfte (resultaat: 3.705);
- Aanpassen partnerfrequenties t.b.v. de TV voor vrijgestelde risicopremies van arbeidsongeschikte deelnemers (resultaat: -8);
- Wijzigen opslag excassokosten (resultaat: -6.144); en
- Aanpassen hoogte IBNR (resultaat: -2.527).
Overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen
Per 1 januari 2022 is het opbouwpercentage verlaagd van 1,310% naar 1,213% Het verlaagde opbouwpercentage is ook van toepassing op de premievrijgestelde toekomstige opbouw van arbeidsongeschikte deelnemers. Hiervoor was op de ultimo stand van het jaarwerk 2021 een extracomptabele post van -1.472 opgenomen. De daadwerkelijke wijziging van de voorziening bedraagt -1.464, wat resulteert in een resultaat van -8.
Voor de toekomstige risicopremies voor arbeidsongeschikte deelnemers was een extracomptabele post van -95 opgenomen. De daadwerkelijke wijziging van de voorziening bedraagt -95, wat resulteert in een resultaat van 0.
Per 1 januari 2023 wijzigt het opbouwpercentage opnieuw, van 1,213% naar 1,170%. In verband hiermee is opnieuw een extracomptabele verlaging van de voorziening opgenomen voor de premievrije toekomstige opbouw (440) en risicopremies (32). Dit leidt tot een resultaat van 472. Tezamen leidt dit tot een resultaat van 464.
Kanssystemen en andere oorzaken
Aan het vaststellen van de technische voorzieningen liggen kanssystemen ten grondslag. De belangrijkste zijn sterfte en arbeidsongeschiktheid. Het aantal arbeidsongeschikten zijn over de jaren toegenomen wat leidt tot een groter negatief effect op het resultaat. De verhoging van de voorziening bedraagt hierdoor -816. Het resultaat op sterfte is 1.042 en overige mutaties 223.
Overige actuariële resultaten ontstaan doordat de feitelijke uitkomsten afwijken van datgeen actuarieel verondersteld is. Deze resultaten zijn niet toe te wijzen aan één van de eerder genoemde categorieën.
Het resultaat in deze categorie bedraagt 433.
Saldo baten en lasten over de afgelopen jaren
(bedragen x € 1.000) | 2022 | 2021 | 2020 | 2019 | 2018 |
---|---|---|---|---|---|
Premieresultaat | |||||
Premiebijdragen | 60.203 | 57.658 | 54.530 | 47.767 | 47.209 |
Pensioenopbouw | -63.741 | -60.070 | -51.304 | -45.602 | -42.959 |
Overige mutaties technische voorziening | 1.338 | -4.359 | -3.457 | -1.786 | -1.618 |
Pensioenuitvoeringskosten* | -1.338 | -4.770 | -4.594 | -4.656 | -4.452 |
-3.539 | -11.541 | -4.825 | -4.277 | -1.820 | |
Interestresultaat | |||||
Beleggingsresultaten | -381.501 | 7.004 | 150.024 | 204.833 | 4.008 |
Rentetoevoeging technische voorziening | 5.736 | 6.501 | 3.289 | -1.873 | 1.883 |
Wijziging marktrente | 414.669 | 84.666 | -188.611 | -174.263 | -45.226 |
38.904 | 98.171 | -35.298 | 28.697 | -39.335 | |
Overige resultaten | |||||
Resultaat op waardeoverdrachten | -270 | -499 | -898 | 415 | 0 |
Resultaat op kanssystemen (arbeidsongeschiktheid en sterfte) | 450 | -3.307 | -822 | -1.058 | -1.289 |
Resultaat op uitkeringen | 54 | 60 | -144 | 67 | 136 |
Indexering en overige toeslagen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Wijziging actuariële grondslagen | -12.712 | 0 | 33.282 | 0 | |
Wijziging overige actuariële uitgangspunten | 464 | 1.624 | 1.267 | -658 | 10.797 |
Overige baten | 7 | 223 | 44 | 84 | 20 |
Overige lasten | -24 | -299 | 18 | 74 | |
-12.031 | -1.899 | 32.430 | -1.132 | 9.738 | |
Totaal saldo van baten en lasten | 23.334 | 84.731 | -7.693 | 23.288 | -31.417 |
De verschillende actuariële resultaten worden in de jaarrekening nader toegelicht. Voor het oordeel van de actuaris wordt verwezen naar de actuariële verklaring.
2.3.2 Kostendekkende premie
De kostendekkende premie bestaat uit een actuarieel benodigde premie voor de pensioenopbouw en de risicodekkingen voor overlijden en arbeidsongeschiktheid, de solvabiliteitsopslag, de opslag voor uitvoeringskosten en de opslag voor toeslagverlening.
De toename van de pensioenverplichtingen in het boekjaar wordt gefinancierd op basis van verwacht rendement met een opslag voor toekomstbestendige toeslagverlening ter hoogte van de verwachte prijsindexatie. In de feitelijke premie van 2022 is geen dekkingsgraad afhankelijke herstelbijdrage opgenomen.
In de volgende tabel is een overzicht van de kostendekkende premie opgenomen. De kostendekkende premie is berekend op basis van de rentetermijnstructuur. De gedempte kostendekkende premie is op basis van het verwachte rendement vastgesteld.
Bedragen x €1.000
Premie 2022 | RTS | Gedempt | Feitelijk |
---|---|---|---|
Actuarieel benodigde premie voor inkoop onvoorwaardelijke onderdelen van de regeling | |||
Regulier | 59.092 | 30.176 | 48.224 |
Risicopremie partner- en wezenpensioen | 1.473 | 1.112 | 1.112 |
Opslag voor uitvoeringskosten | 5.059 | 4.270 | 5.097 |
Risicopremie arbeidsongeschiktheid | 2.836 | 2.836 | 2.836 |
Solvabiliteitsopslag | 9.495 | 5.105 | 7.807 |
Actuarieel benodigde premie inkoop voorwaardelijke onderdelen van de regeling | 0 | 21.108 | 0 |
Toetswaarde premie | 77.955 | 64.607 | 65.076 |
Overige premie | |||
Afrekening vorig jaar | 364 | ||
Anw-premie | 157 | ||
Totaal feitelijke premie | 65.597 |
De premiedekkingsgraad geeft aan in hoeverre de ontvangen pensioenpremie in een jaar voldoende is om de nieuwe pensioenaanspraken te kunnen financieren. Deze wordt bepaald door de beschikbare premie voor inkoop onvoorwaardelijke onderdelen te delen door de actuarieel benodigde premie voor onvoorwaardelijke onderdelen. De beschikbare premie wordt verminderd met de opslag voor uitvoeringskosten. De premiedekkingsgraad per 1 januari 2022 is ex-ante vastgesteld op 94,0%. Een premiedekkingsgraad van minder dan 100% draagt niet bij tot herstel van de dekkingsgraad. Ten opzichte van de premiedekkingsgraad per 1 januari 2021 van 87,0% is er sprake van een stijging. De verwachte premiedekkingsgraad per 1 januari 2023 is ex-ante vastgesteld op 147,0%. Als gevolg van de gestegen rente ligt deze hoger dan per 1 januari 2022. De adviserend actuaris heeft aangegeven dat dit voor 2022 als voldoende evenwichtig kan worden beschouwd. Het bestuur deelt deze mening. De premiedekkingsgraad belemmert het herstel van de financiële positie niet substantieel. In de verklaring van opdrachtverstrekking en -aanvaarding van sociale partners en het pensioenfonds, die in 2022 is overeengekomen en geldt per 1 januari 2021, is opgenomen dat het bestuur jaarlijks de evenwichtigheid toetst aan de hand van het verschil tussen de actuele dekkingsgraad en de premiedekkingsgraad. Indien er in enig jaar een te grote afwijking is tussen de actuele dekkingsgraad en de premiedekkingsgraad, waardoor er volgens het pensioenfonds sprake is van onevenwichtigheid, treedt het pensioenfonds in overleg met sociale partners. Doel van het overleg is te verzoeken aan sociale partners om tot een evenwichtige oplossing te komen.
Oordeel van de externe actuaris over de financiële positie
De financiële positie van het pensioenfonds is naar mening van de waarmerkend actuaris niet voldoende. Daarbij is bepalend de mate waarin het pensioenfonds zal kunnen voldoen aan de verplichtingen, aangegaan tot balansdatum, in aanmerking nemend het streven inzake toeslagen, zoals aan verzekerden meegedeeld en de in wet- en regelgeving opgenomen criteria.
2.4 Toeslagenbeleid
Naast de doelstelling van het pensioenfonds om te streven naar een nominaal pensioen, wordt koopkrachtbehoud beoogd, maar niet tegen elke prijs. Om deze doelstelling te realiseren heeft het pensioenfonds een toeslagenbeleid vastgesteld. Het toeslagenbeleid voldoet aan de wettelijke regels over het verlenen van toeslagen.
Voorwaardelijke toezegging
Het pensioenfonds heeft een voorwaardelijk toeslagbeleid, gebaseerd op de ambitie de pensioenen waardevast te houden. De daarbij gehanteerde maatstaf is de stijging van het CBS-consumentenprijsindexcijfer (CPI), alle bestedingen afgeleid, over de periode 1 oktober van het jaar t-2 tot 1 oktober van het jaar t-1.
Het bestuur beoordeelt jaarlijks of en in hoeverre het verlenen van een toeslag mogelijk is. Het bestuur betrekt in zijn beoordeling onder meer:
- De financiële positie van het pensioenfonds en de eisen die de Pensioenwet daaraan stelt in het algemeen, én
- De beleidsdekkingsgraad van het pensioenfonds en de vrije reserve van het pensioenfonds in het bijzonder.
Voor de toe te kennen toeslag hanteert het bestuur de onderstaande leidraad. Het bestuur kan besluiten om van deze leidraad af te wijken.
- Als de beleidsdekkingsgraad lager is dan 110% worden er geen toeslagen verleend.
- Als de beleidsdekkingsgraad hoger of gelijk is aan de bovengrens, wordt de volledige toeslag verleend.
- Als de beleidsdekkingsgraad boven de 110% is, maar onder de bovengrens, dan wordt er toeslag verleend voor zover deze in de toekomst te realiseren is:
- Hiervoor is beschikbaar de ruimte tussen de beleidsdekkingsgraad en de ondergrens van 110%;
- Er wordt bepaald hoeveel dekkingsgraadpunten de beleidsdekkingsgraad zou dalen bij 1% toekomstige toeslagverlening waarbij voor de benodigde kosten voor toeslagverlening rekening wordt gehouden met het verwachte netto meetkundig rendement op zakelijke waarden;
- Vervolgens wordt de te verlenen toeslag als volgt bepaald: Uitkomst onder 1 gedeeld door de uitkomst onder 2 vermenigvuldigd met 1%.
- De onder 3 bepaalde toeslag wordt toegekend aan zowel actieve als niet-actieve deelnemers.
Per 30 september 2022 bedraagt de bovengrens 152,4%.
Als de beleidsdekkingsgraad hoger is dan de bovengrens, kan het bestuur besluiten tot het inhalen van gemiste indexaties of repareren van eerdere kortingen. De maximale termijn voor inhaalindexaties of reparatie van kortingen bedraagt 10 jaar. Voor toekenning van bovengenoemde incidentele toeslagen zal maximaal 20% van het vermogen boven de bovengrens worden aangewend. Wettelijk mag een pensioenfonds geen toeslag verlenen indien de beleidsdekkingsgraad onder de 110% ligt.
Door de financiële positie van het fonds zijn de opgebouwde en ingegane pensioenen per 1 januari 2022 en per 1 januari 2023 niet verhoogd.
Algemene maatregel van bestuur
In januari van dit jaar werd een Algemene maatregel van bestuur van kracht met betrekking tot het verhogen van de pensioenen (indexeren). Deze maatregel maakt het voor pensioenfondsen mogelijk om vanaf 1 juli 2022 versneld te indexeren indien de beleidsdekkingsgraad hoger is dan 105%. De maatregel is vooral bedoeld om de indexatieachterstand uit het verleden niet nóg verder op te laten lopen. De maatregel is tijdelijk en pensioenfondsen die er gebruik van maken, moeten aan veel voorwaarden voldoen. Ook al had Pensioenfonds Recreatie voldaan aan alle voorwaarden, dan nog kon Pensioenfonds Recreatie de pensioenen in 2022 niet verhogen. De financiële positie was daarvoor niet goed genoeg. De beleidsdekkingsgraad was eind mei 2022 lager dan 105%, namelijk 103,7%.Het bestuur heeft ook besloten om de pensioenen per 1 januari 2023 niet te verhogen. We gaan in Nederland toe naar een nieuwe pensioenstelsel. Op het moment dat Pensioenfonds Recreatie overgaat naar het nieuwe pensioenstelsel, moet Pensioenfonds Recreatie een goede dekkingsgraad hebben anders kan het zijn dat de pensioenen verlaagd moeten worden.
Gezien de financiële positie van het fonds met het oog op de beoogde transitie in het kader van Wtp, achtte het bestuur versnelde toeslagverlening per 1 januari 2023 niet verantwoord.
2.5 Kortingsbeleid
Indien de financiële situatie van het pensioenfonds niet verbetert, kan het pensioenfonds een aantal maatregelen treffen. Het pensioenfonds kan kiezen om geen toeslagverlening toe te kennen, het verhogen van de premie, het versoberen van de pensioenregeling en het aanpassen van of ingrijpen in het beleggingsbeleid. Als deze maatregelen niet voldoende zijn, heeft het pensioenfonds nog een uiterste maatregel. Deze uiterste maatregel is het korten van het pensioen. Dit betekent dat de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten worden verlaagd met een bepaald percentage.
Ondanks de lage beleidsdekkingsgraad heeft het pensioenfonds de opgebouwde pensioenen en pensioenrechten in 2022 niet hoeven te verlagen, omdat de beleidsdekkingsgraad in 2022 is gestegen van 101,8% naar 107,4% en nu boven het minimaal vereist eigen vermogen ligt.
Herstelplan 2022
Op 23 maart 2022 is een herstelplan ingediend, omdat de dekkingsgraad lager is dan het VEV. De ontwikkeling van de dekkingsgraad is in 2021 achtergebleven bij de verwachtingen die in het herstelplan 2021 werden verondersteld. Op basis van de systematiek van het herstelplan zou het fonds binnen 10 jaar uit reservetekort zijn: eind 2031 wordt op basis van het herstelplan een beleidsdekkingsgraad verwacht van 117,5% (dit is meer dan het VEV van 114,6%).
DNB heeft op 19 mei 2022 schriftelijk laten weten dat zij instemmen met het herstelplan van het fonds.
Herstelplan 2023
Op 28 maart 2023 is een herstelplan ingediend, omdat de dekkingsgraad lager is dan het VEV. Op basis van de systematiek van het herstelplan zou het fonds binnen 2 jaar uit reservetekort zijn: eind 2024 wordt op basis van het herstelplan een beleidsdekkingsgraad verwacht van 114,1% (dit is meer dan het VEV van 113,6%).
DNB heeft op 23 mei 2023 schriftelijk laten weten dat zij instemmen met het herstelplan van het fonds.
In voorgaande jaren is vrijstelling verleend van de termijnen die gelden om te voldoen aan het (minimaal) vereist eigen vermogen. Op 23 december 2022 is door Minister Schouten aangeven dat de tijdelijke vrijstellingsregeling wordt verlengd tot 1 juli 2023. De Tweede Kamer had hierover een motie ingediend. Dit betekent dat een pensioenfonds vrijstelling kan verkrijgen voor de hersteltermijn van tien jaar en van het gestelde aantal van zes meetmomenten voor pensioenfondsen die van deze regeling gebruik maken. Als de dekkingsgraad van een pensioenfonds dat van deze regeling gebruik wil maken, naar de stand van 31 december 2022, lager is dan 90%, dient het pensioenfonds een onvoorwaardelijke korting door te voeren zodat de dekkingsgraad, naar de stand van 31 december 2022, direct stijgt tot ten minste 90%. Door de stijgende dekkingsgraden is korten per 1 januari 2023 bij de meeste pensioenfondsen niet aan de orde.
2.6 Uitvoeringskosten
Eén van de taken van het pensioenfonds is het uitvoeren van de pensioenregeling. In deze paragraaf wordt ingegaan op de kosten van de uitvoering, de klachten-en geschillenregeling, de incidentenregeling en het communicatiebeleid.
2.6.1 Kosten uitvoering pensioenbeheer
Het bestuur maakt voor de uitvoering van de regeling diverse kosten. Het bestuur vindt een transparante verantwoording en heldere communicatie over de gemaakte kosten van belang. De “Aanbevelingen Uitvoeringskosten” opgesteld door de Pensioenfederatie worden hierbij gehanteerd. Er wordt onderscheid gemaakt in 3 kostensoorten: pensioenbeheer, vermogensbeheer en transactiekosten.
Kostenratio per kostensoort | 2022 | 2021 |
---|---|---|
Kostenratio pensioenbeheer (€ per deelnemer) | 162 | 149 |
Totale kosten pensioenbeheer (€ x 1000) | 3.887 | 3.383 |
Kostenratio vermogensbeheer (% van het gemiddeld belegd vermogen) | 0,24% | 0,23% |
Totale kosten vermogensbeheer (€ x 1000) | 2.417 | 2.720 |
Kostenratio transactiekosten (% van het gemiddeld belegd vermogen) | 0,06% | 0,01% |
Totale transactiekosten (€ x 1000) | 636 | 136 |
Vanaf 2020 wordt een deel van de kosten toegerekend aan vermogensbeheer. De omvang hiervan is deels gebaseerd op een inschatting (tijdsevenredige verdeling). Voor 2022 komt de “allocatie aan vermogensbeheer” net als in 2021 uit op 20% van de bestuurskosten, 15% van de kosten Bestuursondersteuning en de kosten Beleggingsadviescommissie.
Het bedrag aan uitvoeringskosten voor het pensioenbeheer bestaat uit:
Bedragen x € 1.000 en incl. BTW | 2022 | 2021 |
---|---|---|
Bestuur | 451 | 372 |
Bestuur ondersteuning | 522 | 522 |
Pensioenuitvoering (TKP) | 2.338 | 2.036 |
Wet toekomst pensioenen | 116 | 0 |
Controle en advies | 361 | 336 |
Pensioenuitvoering (overig) | 268 | 286 |
Totaal | 4.056 | 3.552 |
Allocatie naar kosten vermogensbeheer | ||
Kosten bestuur | 91 | 73 |
Kosten bestuur ondersteuning | 78 | 78 |
Kosten Beleggingsadviescommissie | 0 | 18 |
Totaal allocatie naar kosten vermogensbeheer | 169 | 169 |
Totaal pensioenbeheerskosten | 3.887 | 3.383 |
Aantal actieven en pensioengerechtigden | 24.019 | 22.695 |
Kosten per deelnemer | 162 | 149 |
Aantal actieven, pensioengerechtigden en gewezen deelnemers | 94.098 | 92.124 |
Kosten berekend over alle deelnemers | 41 | 37 |
Gemiddeld aantal actieven en pensioengerechtigden in het jaar | 23.357 | 22.916 |
Kosten per deelnemer / pensioengerechtigde | 166 | 148 |
Hieronder is een korte toelichting van bovenstaande kosten opgenomen. De ontwikkeling van de pensioenuitvoeringskosten wordt in jaarrekening in hoofdstuk 9 nader toegelicht.
Kosten per deelnemer/pensioengerechtigde en kosten berekend over alle deelnemers
De totale kosten zijn ten opzichte van 2021 gestegen met € 504 duizend (voor allocatie naar vermogensbeheer). Deze stijging komt met name door advieskosten Wet toekomst pensioenen. Door de stijging van de kosten op totaalniveau zijn de kosten per deelnemer/pensioengerechtigde in 2022 gestegen in vergelijking met het jaar ervoor. In de kosten per deelnemer zijn de kosten die gemaakt worden inzake vermogensbeheer buiten beschouwing gelaten.
Bestuur
De kosten bestuur hebben betrekking op de vergoedingen voor de werkzaamheden verband houdend met de bestuursorganen. De vergoedingen bestaan uit een vaste vergoeding, een vergoeding van reis- en verblijfkosten, opleidingskosten en overige bestuurskosten. Hierin zijn ook opgenomen de kosten voor de werkzaamheden ter ondersteuning van de Raad van Toezicht en het Verantwoordingsorgaan. De kosten zijn in 2022 gestegen door de geplande verhoging van de feitelijke tijdsbesteding (FTE).
Bij de vaststelling van de hoogte van de beloning spelen vervangingswaarde, verantwoordelijkheid, functiewaardering en tijdsbesteding een rol. Alle leden van het bestuur hebben zitting in een commissie en/of zijn sleutelfunctiehouder. De werkzaamheden zijn hierdoor aanzienlijk toegenomen. In verband met de grotere tijdsbesteding heeft het bestuur besloten om per 1 januari 2022 de FTE voor de leden van het bestuur te verhogen met 0,2 FTE. De verhoging van de FTE heeft geen gevolgen voor de invulling van de norm tijdsbeslag (VTE) volgens het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Bestuursondersteuning
Dit betreft de vaste vergoedingen voor bestuursondersteuning door Montae & Partners.
Pensioenuitvoering (TKP)
De kosten die pensioenuitvoerder TKP op jaarbasis in rekening brengt voor de vooraf afgestemde activiteiten en eventueel meerwerk worden onder deze post gerapporteerd. In de kosten TKP zijn ook kosten voor de relatiemanager en communicatie met betrekking tot #Gastvrij Pensioenfonds opgenomen. Deze kosten bedragen in 2022 € 86 duizend. In de vergoeding is voor algemene werkzaamheden betreffende Wet toekomst pensioenen een bedrag van € 254 duizend meegenomen (15% van de totaal overeengekomen vergoeding voor WTP).
Wet toekomst pensioenen
Dit betreffen advieskosten van Montae&Partners (€ 37 duizend) en Willis Towers Watson (€ 79 duizend).
Pensioenuitvoering (overig)
De overige kosten betreffen contributies, bijdragen, communicatiekosten en overige beheerskosten.
De kosten voor contributies hebben betrekking op de verplichte bijdrage vanuit het pensioenfonds aan DNB (€ 66 duizend), het Nationaal Pensioenregister (€ 10 duizend), het lidmaatschap van de Pensioenfederatie (€ 29 duizend), deelname aan MijnOverheid, Logius (€ 6 duizend) en een contributie Stichting Zelfregulering Pensioenfondsen (€ 3 duizend). De totale contributies zijn in 2022 ongeveer gelijk gebleven. Van de AFM is nog geen factuur ontvangen voor 2022.
De communicatiekosten bedragen in 2022 € 122 duizend (2021: € 108 duizend). Daarnaast is er nog een bedrag opgenomen aan bankkosten van € 15 duizend (2021: € 13 duizend), incassokosten van € 0 (2021: € 2 duizend) en IT kosten € 18 duizend (2021: € 17 duizend).
Controle en advies
Deze kosten hebben o.a. betrekking op alle kosten in het kader van de certificering en advisering door Willis Towers Watson (€ 164 duizend; 2021: € 151 duizend) en de kosten van de certificering van het jaarwerk door Mazars (€ 64 duizend; 2021: € 48 duizend). De advieskosten van Montae&Partners (€ 83 duizend; 2021: € 102 duizend) hebben betrekking op vervulling sleutelfunctie Risicobeheer en overige adviezen. Compliance kosten bedragen in 2022 € 11 duizend (2021: € 8 duizend). In 2022 bedragen de kosten van KPMG voor de interne audit functie € 35 duizend (2021: € 22 duizend) en de kosten van Triple A voor de actuariële sleutelfunctie € 3 duizend (€ 4 duizend).De totale kosten voor controle en advies zijn licht gestegen ten opzichte van 2021.
2.6.2 Kosten uitvoering vermogensbeheer
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de directe en de indirecte vermogensbeheerkosten gedurende 2022.
Bedragen x € 1.000 | Gemiddeld belegd vermogen | Kosten vermogensbeheer | Transactiekosten | |
---|---|---|---|---|
2022 | Totaal | 1.027.529 | 2.417 | 636 |
% gem. belegd vermogen | 0,24% | 0,06% | ||
2021 | Totaal | 1.158.390 | 2.720 | 136 |
% gem. belegd vermogen | 0,23% | 0,01% | ||
2020 | Totaal | 1.062.664 | 2.419 | 210 |
% gem. belegd vermogen | 0,23% | 0,02% | ||
2019 | Totaal | 849.064 | 1.902 | 139 |
% gem. belegd vermogen | 0,22% | 0,02% | ||
2018 | Totaal | 708.783 | 1.706 | 99 |
% gem. belegd vermogen | 0,24% | 0,01% |
De indirecte vermogensbeheerkosten zijn verrekend met het rendement en bestaan uit beheerskosten en transactiekosten. Indirecte beheerskosten worden berekend op basis van de Total Expense Ratio (TER) van de beleggingsfondsen.
Transactiekosten binnen beleggingsfondsen worden overeenkomstig de aanbeveling van de Pensioenfederatie geïndiceerd door de in- en uitstapkosten die door de beleggingsfondsen (impliciet) in rekening worden gebracht bij toe- en uittredende participanten.
Het pensioenfonds volgt in de presentatie van de kosten van vermogensbeheer de “aanbevelingen uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie” zoals gepubliceerd in november 2011 en de “nadere uitwerking kosten vermogensbeheer herziene versie met aanvullingen van de Pensioenfederatie” zoals gepubliceerd in februari 2016.
Het bestuur heeft conform de Aanbevelingen uitvoeringskosten (De Pensioenfederatie) beoordeeld of de vermogensbeheerkosten in relatie tot de assetallocatie en de benchmarkkosten en het rendement op lange termijn en het benchmarkrendement passend zijn.
In 2022 zijn de totale kosten van het vermogensbeheer ca. 0,30% (2021: ca. 0,24%) van het gemiddeld belegd vermogen. De vermogensbeheerskosten zijn als percentage op totaalniveau gestegen. Dit wordt met name veroorzaakt door de hogere transactiekosten als gevolg van het meerdere malen aanpassen van de renteafdekking, herbalancering en de relatief en absoluut grotere allocatie naar de relatief duurdere belegging in hypotheken. Een deel van de kosten van het bestuur en het bestuursbureau is toegerekend aan de vermogensbeheerkosten. Het gemiddeld belegd vermogen is gedaald, waardoor de absolute kosten hoger uitkomen dan in 2021.
Look-through | Beheerkosten | Beheerkosten | Transactiekosten excl. aan- verkoopkosten | Transactiekosten excl. aan- verkoopkosten | Totaal | Totaal |
---|---|---|---|---|---|---|
2022 | 2021 | 2022 | 2021 | 2022 | 2021 | |
Kosten per beleggingscategorie | ||||||
Vastgoed | 11 | 16 | 1 | 2 | 13 | 17 |
Aandelen | 300 | 375 | 32 | 41 | 332 | 415 |
Vastrentende waarden | 1.437 | 1.531 | 593 | 89 | 2.030 | 1.620 |
Overige beleggingen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën excl. overlay | 1.748 | 1.921 | 626 | 132 | 2.375 | 2.053 |
Kosten overlay beleggingen | 115 | 83 | 10 | 4 | 125 | 87 |
Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën incl. overlay | 1.863 | 2.004 | 636 | 136 | 2.500 | 2.140 |
Kosten vermogensbeheer pensioenfonds en Bestuursondersteuning | 169 | 169 | 169 | 169 | ||
Kosten fiduciair beheer | ||||||
Bewaarloon | 66 | 135 | 66 | 135 | ||
Advieskosten vermogensbeheer | 111 | 120 | 111 | 120 | ||
Overige kosten | 208 | 292 | 261 | 292 | ||
Totaal overige vermogensbeheerkosten | 554 | 716 | 554 | 716 |
Toelichting per categorie:
- Het pensioenfonds belegt niet in vastgoed als aparte categorie. De categorie vastgoed in bovenstaande tabel betreffen beursgenoteerde vastgoedaandelen binnen de aandelenfondsen. De kosten van deze beleggingsfondsen in aandelen zijn (op basis van “lookthrough”) evenredig aan de categorie vastgoed toegerekend.
- De beheerkosten voor aandelen (BlackRock) zijn in lijn met de ontwikkeling van de portefeuille (omvang van het vermogen is gestegen). BlackRock brengt bij het pensioenfonds een management fee (voor de B-funds) en een base fee (voor de CCF) in rekening. Naast deze kosten worden ook kosten binnen de beleggingsfondsen ingehouden (ten koste van het rendement). Een bedrag van € 236 duizend is voor 2022 (2021: € 297 duizend) direct in rekening gebracht bij het pensioenfonds.
- De beheerkosten voor vastrentende waarden (Cardano, BlackRock, ASR, Aegon en SARE&F) zijn gestegen door de gestegen omvang van de beleggingen. Cardano rekent kosten voor het LDI mandaat en het FX overlay mandaat. Deze kosten zijn direct bij het pensioenfonds in rekening gebracht. De beheervergoeding van ASR is deels (€ 48 duizend) direct bij het pensioenfonds in rekening gebracht. De vergoedingen van Aegon, SARE&F, en de geldmarktfondsen binnen het mandaat voor de matchingportefeuille van Cardano (van BlackRock, DWS en JP Morgan) zijn binnen de beleggingsfondsen in rekening gebracht.
- Als transactiekosten zijn opgenomen de kosten voor aankoop van beleggingen door het pensioenfonds (zoals acquisitiekosten, in- en uitstapvergoedingen van beleggingsfondsen of bijv. aandelen in een discretionair mandaat). Aan- en verkoopkosten zijn de directe aan- en verkoopkosten van beleggingstitels binnen een beleggingsfonds (waarbij evt. in en uitstapvergoedingen worden verrekend). Conform de aanbeveling Pensioenfederatie wordt voor alle categorieën waarbij in een fonds wordt belegd een volledige lookthrough van transactiekosten toegepast. Bij lookthrough is een correctie gemaakt voor de in- en uitstapvergoedingen bij beleggingsfondsen, door het pro rata deel van deze opbrengsten te verdisconteren met de in- en uitstapvergoedingen die door het pensioenfonds zijn betaald. Daarnaast is het pro rata deel van de transactiekosten in een beleggingsfonds aan het pensioenfonds toegerekend.
- De kosten vermogensbeheer pensioenfonds en bestuursondersteuning zijn toegerekende kosten o.b.v. urenbesteding. De omvang daarvan is deels gebaseerd op een inschatting (tijdsevenredige verdeling). Voor 2022 komt de “allocatie aan vermogensbeheer” uit op 20% van de bestuurskosten, 15% van de kosten bestuursondersteuning, de kosten van de beleggingsadviescommissie en de extern adviseur van beleggingsadviescommissie.
- De advieskosten betreffen kosten van Cardano. Deze kosten zijn direct bij het pensioenfonds in rekening gebracht.
- De post overige kosten bevat kosten voor aanvullende dienstverlening (zoals rapportages, bankdiensten, custody services, administratie) door CACEIS en worden direct bij het pensioenfonds in rekening gebracht. In de overige kosten zitten ook kosten die Cardano rekent voor het Rebalancing mandaat. Dit betreft het monitoren en bijsturen van de gehele balans naar strategische gewichten.
2.6.3 Beleggingsrendement, risico’s en kosten
Het beleggen en beheersen van risico’s brengt kosten met zich mee. Bij beleggingsbeslissingen, zoals het selecteren van beleggingscategorieën en vermogensbeheerders, worden kosten nadrukkelijk betrokken. De kosten van het vermogensbeheer worden jaarlijks geëvalueerd, zowel als geheel als bij de evaluatie van uitbestedingspartijen. Waar nodig worden acties in gang gezet.
In onderstaande grafiek worden de beleggingsrendementen en de kosten over de afgelopen vijf jaar getoond.